2. Herman ten Grotenhuys

Herman ten Grotenhuys ° ±1595 † ±1658 ouders: zie hoofdstuk 1
x 1625
Grete ten Velde

Geboorte- en sterfjaar
De geboortedatum van onze tweede stamvader is niet bekend. Van de Plechelmuskerk te Oldenzaal is geen doop- of trouwboek bewaard gebleven van voor 1607. Het bijhouden van deze registers was door de kerkelijke overheid verplicht gesteld op het concilie van Trente in 1545. Waarschijnlijk zijn de boeken van voor 1607 verloren gegaan. Het is ook mogelijk dat men in Oldenzaal later begonnen is, dat is op meer plaatsen voorgekomen. Nemen we aan dat Herman ongeveer 30 jaar was toen hij trouwde in 1625 dan ligt zijn geboortejaar dus rond 1595. Zijn overlijden moet plaatsgevonden hebben voor 13 maart 1658 want dan spreekt zijn zoon in een akte over zijn vader zaliger.
Onze Herman is opgegroeid in een zeer roerige tijd, de Staatsen en Spanjaarden wisselden geregeld van macht in Oldenzaal en omgeving en dat zal ook op het platteland goed merkbaar zijn geweest. Het waren de boeren die het voedsel moesten leveren aan de legers en ging dat niet goedschiks dan kwam men het onder dwang halen.

Huwelijk met Margareta ten Velthuys
12 januarie 1625
Conjuncti Herman ten Grotenhuys et Grete ten Velthuys, testibus Johan Calverinck, Lambert Wilmes, Wessel ten Grotenhuys.
Aldus de notering van het huwelijk van Herman met zijn bruid Margaretha ten Velthuys (of Ten Velde zoals ze later ook wel genoemd wordt) vastgelegd in het trouwboek van de Plechelmus te Oldenzaal. Van Grete weten we verder dat ze de dochter is van Jan ten Velde te Rossum en daar houdt het dan ook mee op, evenals van onze eerste voormoeder Swenne is van haar geboorte- noch sterfjaar bekend.
In 1634 begeeft Grete zich in horigheid van de Proosdijhof en op dezelfde pagina van het Proosdijboek staat erboven ook een verklaring voor een lening die Herman aangaat.
Grootenhuys de Meyer heeft van de Ed. Christoffel Helmig met mijner consent opgenomen 50 daler. Zal de selve wedder aflossen moeten in 3 jaaren ofte nije verschrijvinge verzoeken. Het eerste jaar zal verlopen anno 1634 en het laatste jaar anno 1636, alles na luijt des breeves gesechen den 29 maart anno 1634.
Anno 1634 den 29 november
Johan Pott, hofmeier.
Coornoten Harmen in de Lutte en Wessel ten Holthuys.
Verschene Greete ten Velde, Jan ten Veldes dochter uit Rossum en geeft zich na hooves recht in de Proosdij echte, is de huisvrouw van Harmen ten Grootenhuys, bedingt een vrij kind in haar plaats.
4 kinderen zijn vrij geboren.
Jenneken ten Grootenhuys is vrij geboren.
De opmerking over de vrij geboren kinderen is niet geheel duidelijk. Alle kinderen geboren uit een vrij persoon, voordat deze zich in de horigheid begeeft, zijn niet aan de horigheid onderworpen. Het is onbekend waarom nu Jenneke apart genoemd wordt. De geboortedata van deze vijf kinderen zijn een probleem want al is het doopboek van de St. Plechelmus compleet vanaf begin 1625 tot oktober 1632, met een onderbreking van oktober 1625 tot oktober 1626, slechts de doopdatum van een dochter, Cygnea, kan duidelijk gelezen worden, namelijk 25 maart 1629. Cygnea was volgens het doopboek een zeer gangbare naam maar het is waarschijnlijk een tijdelijke rage geweest want het kind is bijna zeker onder een andere naam door het leven gegaan. Bij het dopen van Cygnea was Theodorus van Deventer de peetvader. Mogelijk was hij een familielid van Johan van Deventer, de vorige hofmeier van de proosdijhof die zijn baan kwijtraakte toen in 1632 de kerkelijke goederen werden geconfisqueerd.

Overstap naar het protestants geloof?
Dat de dopen van de andere kinderen niet in het doopboek van de Plechelmus staan genoteerd kan nog een andere oorzaak hebben. In 1655 werd door de geestelijkheid van de Plechelmus een onderzoek gedaan naar het aantal en naam van de afvalligen in Oldenzaal en omgeving. Bij de marke Deurningen staat vermeld: allen katholiek, excepto uno russico Groothuys (uitgezonderd een boer Groothuys).
Is onze Herman met zijn gezin toch overgestapt naar het nieuwe geloof, het protestantisme? Is dat ook de verklaring voor het feit dat hij op 17-1-1644 een tweede zoon (weer een Herman, komt vaker voor in een gezin) door de dominee in Oldenzaal laat dopen? En zijn al de kinderen daarvoor, uitgezonderd Cygnea in 1629, gedoopt door de dominee van de Nederlands Hervormde kerk? Het doopboek van de Nederlands Hervormde kerk over die periode is wel bijgehouden en bewaard. Het schrift in het deel tot 1640 is echter dusdanig verbleekt dat het niet meer te lezen is.
Herman is een werkzaam lid van de proosdijgemeenschap en marke Deurningen geweest. Op bijna elke hofdag was hij aanwezig als cornoot (assistent) van de hofmeier, de beheerder van proosdijgoederen. In de marke was hij actief en steeds betrokken bij advisering over welke aangelegenheid dan ook. De marke en haar bestuur was toendertijd voor haar bewoners de leefgemeenschap waarmee ze in de eerste plaats te maken hadden. Volgde een jonge boer zijn vader op dan moest hij in de holting voor het markebestuur als nieuw lid (erfgenaam) zijn trouw aan de marke betuigen zoals bijvoorbeeld geschiedde rond 1640:
Enne bennen tot nije geswaaren gekooren en continueren als nemplijk Bovinck, Molman, Jonckman en Rykerinck en hebben deselve volgens haeren Eedt in prasentie van die erschenen Eerfgenamen actuelie gepresteert in forma hijrnae beschreven:
Een Eedt der gesworenen,
Ick getuige, belove en sweere eenen Eedt tot Godt Allemachtigh, dat ick deeser marke recht en gerechtiheit sall en will voorstaen en getrouwelijk ende.

Herman is boerrigter

Om en nabij 1655 wordt Herman tot boerrigter van de marke Deurningen gekozen, hij volgde zijn 'neef' Wessel ten Holthuys op. Dit ambt heeft hij tot zijn dood uitgeoefend en hij is waarschijnlijk de laatste door de marke zelf benoemde boerrigter geweest. Na hem vervult Lambert Pott, die enige jaren daarvoor ook al tot hofmeier van de Proosdijhof was benoemd, deze functie. Deze Pott is een volkomen vreemde in de marke Deurningen. Het is bijna zeker dat hij door de overheid (lees: protestanten) aan de marke is opgedrongen. Dit betekende uiteraard een ernstige inbreuk op de structuur van de marke wat mede de teruggang in de welvaart in de marke versnelde.

De gebeurtenissen in het verre Holland
Men had geen krant toendertijd, men kon trouwens lezen noch schrijven. Maar zouden onze Herman en Grete ooit iets gezien hebben van de Spaanse matten die Piet Hein in 1628 buit maakte bij de verovering van de Zilvervloot? Hebben ze meegejuicht toen Tromp de onoverwinnelijk geachte Spaanse Armada de grond inboorde? Zou dit nieuws doorgedrongen zijn bij de losse vuren [open vuur in het huis, waarboven gekookt werd].
van de boerenhoven in Twente? Het zullen vragen blijven.

Herman ten Grootenhuys ° ±1595 † ±1658
Kx 12-1-1625
Grete ten Velde (dochter van Jan ten Velde, Rossum)
|
+ Elsken
|
+ Swenne
|
+ Herman ° ±1630 zie hoofdstuk 3
|
+ Geesken
|
+ Jenneken
|
- Herman II ° 17-1-1644

In het trouwboek van de Nederlands Hervormde kerk te Oldenzaal staan de volgende huwelijken opgetekend:

2-11-1645 Elsken ten Grootenhuys x Jan Kluppel uit Nijstad (Weerselo)
19-3-1651 Swenne ten Grootenhuys x Herman Hermanzen, op 't Luttikhuys Deurningen
17-8-1656 Geesken ten Grootenhuys x Gerrit Lambers van Deterinck, Dulder
11-7-1661 Jenneken ten Grootenhuys x Roelof Gelinck, wedn. Hasselo
15-3-1665 Herman II ten Grootenhuys x Wibbe ter Stege, Lemselo

Hoe het de kinderen verging
Herman zien we uitgebreid terug in het volgende hoofdstuk. Het huwelijk van Herman II met Wibbe ter Stege is of kinderloos gebleven of het echtpaar is uit de buurt vertrokken en daardoor niet te volgen.
De resultaten van de huwelijken van de dochters van Herman en Grete zijn niet gevolgd. We maken echter een uitzondering voor dochter Swenne (Susanne), genoemd naar haar grootmoeder. We volgen haar na het huwelijk met Herman Hermanzen, geboortig van Beuningen. Niet voor wat betreft hun nakomelingen maar meer hoe het hen verging op het Luttikhuys en de rol daarbij gespeeld door haar vader Herman ten Grootenhuys.
Swenne trouwde op het Luttikhuys, de buur van Grootenhuys en gelegen op een steenworp afstand daarvan. Haar bruidegom huurde dit erf op 3 april 1651 van Johan Wientjes te Oldenzaal, die het op zijn beurt weer als leengoed had van het Ridderschap. Hierbij het huurcontract tussen Wientjes en Herman Hermanzen en de borgbrief van Herman ten Grootenhuys als vader van Suzanne.
Ik, Johan Wientjes en Anneken mijn echtelijke huisvrouw, doen kond en betuigen in en vermits deze open brief voor ons en onze nakomelingen dat Herman Hermanse uit Deurningen gekomen en heeft Erfwinning begeert, zo is het dat wij vermeieren ons zelf toebehorende Erf en goed genaamd Luttichuys, exempt de landerijen die Geert Beerninck in het gebruik heeft en hem aldaar ongemolesteerd gedurende zijn huur te laten wonen en dat Herman Hermanse na Geert Beernincks huurjaren de naeste totte landerijen zal mogen wezen, mits daarvan doende wat een ander zou begeren te doen, zo niet zal het Heerschap vrij staan de voornoemde landerijen te mogen keeren waar dat het Heerschap zou mogen believen, gelegen in de boerschap Deurningen en gericht van Oldenzaal aan de voornoemde Herman Hermanse met zijn huisvrouw Swenne ten Grootenhuys hun beider levenslang voor de som van vijftig daler, de daler ad dertig stuiver.
Daargesteld dat hij het voornoemde erf tot zijn voordeel zal mogen gebruiken met de conditie dat hij jaarlijks daarvan ter pacht zal geven zes mudde droge, schone, klare winterrogge en zes mudde droge schone gemaaide boekweit, daartoe vier diensten met wagen en paard en twee lijfdiensten wanneer het Heerschap van doen zal hebben.
Mocht hij hierin weigerachtig zijn of op zijne tijd de pacht niet mogen komen betalen dan zal de Erfwinning verbeurd worden. Verder zeven pond vlas of eene daler van dertig stuiver daarvoor, met nog een vette gans en twee paar hoenders op Martini te betalen.
Voorbehouden nochtans dat de meyer het goed niet zal mogen bezwaren, geen hout, eiken of beuken hakken of doen hakken zonder toestemming van het Heerschap, geen land verbuuten, verzetten, veralineren en verkopen. Idem zal de meier ook gehoedelijk het huis, hof, land en thunen in goede staat houden en in nacht en dag bewaren. Hierbij is gestipuleerd dat de meier alle Heeren en Buurenlasten die op het Erf staan en nog mochten komen te vallen alleen zal moeten dragen. En dat het Heerschap of zijn erfgenamen zal mogen vrijstaan het huis op het Erf tegenwoordig staande, daar af te breken en in plaats van die een ander daarop te zetten of aan het ander huis daar Geert Beerninck in woonachtig, twee gebont aan te timmeren. In geval echter Herman Hermanse bij zijn huisvrouw enige kinderen mocht komen te procureren zullen alsdan de voornoemde kinderen na hun beide afwezigheid geen aanspraak aan het voornoemde Erf hebben te pretenderen voor en aleer zij Erfwinning zouden mogen gedaan hebben zoals Herman Hermanse voornoemd gedaan heeft.
In vastigheid en oorkonde der waarheid zijn hiervan twee eensluidende pachtcedels gemaakt en door beide partijen ondertekend, waarvan eenieder een heeft ontvangen.
Alles zonder fraude arg of list, Actuis Oldenzaal den 3 April 1651.
Ick ondergetekende Herman ten Grootenhuys beloof de vijftig daler vanwege de Erfwinning met de rente vandien tegen vijf procent in twee termijnen te betalen te weten den 1e termijn van 25 daler op Martini 1651, den 2e termijn diergelijke 25 daler op Martini
1652 waarvoor ik Pieter Tappen mij verobligeer als borg en als principaal bij faute van Herman ten Grootenhuys zijne uitbetaling. Actuis den 3 April 1651.
Met deze is geconditioneerd dat hij zal geven voor de opvaart 4 rijksdaalders als zijne dochter zal ingeleijt worden.

De eerste handtekening
Dit contract [Martini = 11 november] geeft een aardig voorbeeld van een pachtovereenkomst uit die tijd. Het lijkt bovendien veel op een horigheidsverklaring zoals die van toepassing was bij een Proosdij of kapittelhof. Hierover straks meer.
Herman ten Grootenhuys betaalde, blijkbaar als bruidsschat voor zijn dochter, de erfwinning en opvaart [het zich aan de horigheid onderwerpen en het recht krijgen op een hofhorig erf te wonen]. Verder blijkt dat op het Luttickhuys ook een Geert Beerninck woonde in een apart huis met eigen grond, waarschijnlijk het latere Spanje. Hij had een eigen huurcontract met Johan Wientjes. Voor ons staat echter het belangrijkste onderaan het contract en ook onder de borgbrief: het handmerk [handtekening van mensen die niet kunnen schrijven] van Herman ten Grootenhuys?
Hier zien we voor het eerste een 'met eigen hant getrocken' teken van leven van een voorvader. Schrijven kon Herman uiteraard niet, maar zijn 'kruisje' mocht er zijn. Vergelijk het eens met dat van Herman Hermanzen en getuige (en buur) Willem Kaalverinck. Ieder erf had zo zijn eigen huismerk maar samensteller heeft er nog geen gezien met zoveel symboliek als dat van Herman ten Grootenhuys: een rechtopstaand kruis, stevig overeind gehouden door twee schoren.

Het zit Swenne niet mee
Swenne heeft op het Luttikhuys weinig voorspoed gekend. Haar eerste twee kinderen, beiden met de naam Herman, zijn blijkbaar overleden, want ook hun derde kind noemde ze Herman. Of dit kind een beter lot beschoren was is onbekend.
Swenne en haar man hebben geen gemakkelijk leven gehad gezien de smeekbede die Herman op 3 februari 1666 richt aan zijn heer Wientjes.
Erenhefte zeer discrete heerschap
Jan Wientjes, ik ben van Ued begeven ofte Ued gelieve mij die lasten helpen dragen als Ued voor deze heeft gedaan. Zo niet, zo willen die gemene boeren het landt van mij, als ook van de huurlieden aantasten en verzetten.
De lasten van het Luttichuis bedragen alle weeken:
- 29 stuiver aan geld;
- 6 spint haver
- 48 pont hooi
- 7 pont brood
- 8 pont vlees.
Verzoeke derhalve vriendelijk, wilt mij nu in noot zijnde niet verlaten. Hiertoe mij verlate, bevelende Ued in de bescherming Gods.
Verblijve Ued dienstwillige meijer.
Hermen Luttichuys
Oldenzaal, den 3 februari 1666
Of de bede om hulp resultaat gehad heeft, vermeldt de historie niet. Het was de tijd nadat de bisschop van Munster, Bernard van Galen, hier met zijn troepen de Staatsen tijdelijk verjaagd had. Zijn geschut maakte voor het eerst in de geschiedenis gebruik van ontploffende kogels en hij heeft daarom de bijnaam bommenberend gekregen. De boeren noemde hem echter koedief want men is toen menig koe kwijtgeraakt aan zijn plunderende soldaten.

De Proosdij
Al enige malen is het woord Proosdij, horige en horigheid gevallen. Ter verduidelijking het volgende.
Aan het hoofd van het Hof stond de hofmeyer, ook hofrigter, die met twee hofgenoten als keurnoten (cornoten) de rechtspraak uitoefenden. De Proost van Oldenzaal oefende in Twente en een deel van het Graafschap Bentheim het hoogste kerkelijk gezag uit. Ten behoeve van zijn onderhoud dienden de Proosdij-goederen. De bewoners van deze erven waren horig aan de Proosdij en moesten elk jaar op de Hofdag hun horigheid erkennen (verwaren). Bij aanvaarding van het erf betaalden zij de zogenaamde erfwinning, dat wil zeggen dat ze een bepaald bedrag aan geld betaalden voor levenslang gebruik van het erf. De huur werd betaald in natura.
Als men in het horigheidsverband opgenomen wilde worden (opvaren) betaalde men een klein bedrag in geld of men schonk een paar laarzen. Men kon zich weer vrijkopen uit de horigheid, maar dan moest men wel zorgen voor een plaatsvervanger, een wedderwessel. Verder had de heer recht op de helft van het versterf [nagelaten geld en goederen] bij overlijden van een horige. Dit moest door de erfgenamen uit de nalatenschap betaald worden. Het hield onder andere in:
- de helft van al het viervoetig vee;
- al het ongemunte goud of zilver;
- het spek dat in de schoorsteen hing;
- de opbrengst van het geld dat de gestorvene aan anderen had geleend.
Het klinkt allemaal nogal hard maar de werkelijkheid viel wel mee. Men had tenslotte ook rechten en een horige boer voelde zich weinig minder dan de zeldzame vrije boer die geen beroep kon doen op het Hof of de Hofgenoten als er moeilijkheden waren. Als groep van Hofgenoten was men veel sterker dan de eenling in een land waar je van alles kon overkomen, zonder dat er een sociale wetgeving achter je stond.