10. Jan Kalter op Wolbert

Jan Kalter op Wolbert ° 1771 † 1845 ouders: zie hoofdstuk 8
x 1818
Joanna Olde Hamsink, wed. Wolbert ° 1783 † 1866 ouders: zie hoofdstuk 34

Deze voorvader leefde in de tijd van Napoleon. Daar heeft hij ongetwijfeld de nodige last van gehad, ook wat zijn achternaam betreft. Bij zijn doop in de kerk van Rossum staat hij genoteerd als Jan, zoon van Jan Luttikhuis op Kalter en Joanna Stegeman, Lemselo. Peetoom daarbij is zijn oom Herman Luttikhuis uit Oldenzaal die zich dan echter Herman Geerligh noemt naar zijn stiefvader. In het dagelijkse leven zal Jan gewoon Kaalters Jens geheten hebben.
Als tweede zoon van een pachtboer was de kans op een eigen boerderij klein. Hij bleef dan ook bij zijn broer Jan Hendrik inwonen met het vooruitzicht een Spej-eumken te worden [een oude oom die de meeste tijd bij de haard zat en geregeld in het vuur spuugde], weinig aantrekkelijk dus.
Als in 1811, ons land is dan een deel van Frankrijk, een volkstelling gehouden wordt ten behoeve van soldaten voor het leger van Napoleon, is Jan gelukkig al te oud. Voor de veiligheid maakt hij zich bij deze nog een jaartje ouder en noemt als geboortejaar 1770. Na het vertrek van de Fransen wordt hij in 1814 toch ingeschreven bij de Militaire Militie die hem echter niet nodig heeft. In 1817 krijgt hij zijn vrijstelling.
Jan heeft de zorgelijke tijden op Kalter bewust meegemaakt. Dat heeft hem doen inzien dat alles beter is dan een kleine huurboer te zijn die zijn leven lang hard moet werken om de huur op te brengen.

Wolbert, de buurman van Kalter
Op een afstand van 600 meter hemelsbreed van Kalter ligt de boerderij Wolbert, een nog ouder erf in Lemselo en al eeuwen in eigendom van de Armenstaat in Oldenzaal. Evenals de huurders van Kalter hadden de bewoners van Wolbert grote moeite de pacht en tienden [pacht ter waarde van een tiende van het verbouw] op te brengen in het begin van de 19de eeuw. Men wordt geregeld gemaand om te betalen:
1794 Potken, administrateur van de Armenstaat, wil 12 mud rogge wegens achterstallige pacht.
Febr. 1808 Wolbert dient nog ƒ 61,- rente te betalen over een verstrekte hypotheek
Aug. 1808 Wederom komt Armenstaat om nog niet betaalde pacht.
Sept. 1808 Nog eens de Armenstaat vanwege niet betaalde tiendpacht van ƒ 25,- en 8 stuivers.
Mei 1809 Armenstaat moet nog ƒ 57,-, 12 stuivers en 12 penningen hebben vanwege de pacht van 1807 en 1808.
Dec. 1810 Armenstaat Oldenzaal pandt Wolbert vanwege een restant korenpacht: 28 schepel rogge à ƒ 44,- en 16 stuivers.
Nov. 1811 Achterstallige tiendpacht, totaal ƒ 154,-, 4 stuivers en 12 p.
In 1814 wordt Jannes Wolbert, de pachter, zelfs voor het gerecht gedaagd in verband met de tiendpacht ten bedrage van ƒ 20,- over de verbouw van haver, boekweit en raapzaad in de jaren 1812, 1813 en 1814. Het moeten betalen van tiendpacht was de boeren altijd een doorn in het oog geweest, officieel was ze ook onder Napoleon in 1807 afgeschaft. Was het een stil protest tegen deze onrechtmatige belasting dat Jannes deed besluiten aan de oproep geen gehoor te geven? Hij ging in elk geval niet en werd bij verstek veroordeeld tot de betaling van de geëiste ƒ 20,- plus de gerechtskosten. Echter, het is ook mogelijk dat hij niet kón komen vanwege zijn gezondheid, want op 8 mei 1815 komt hij te overlijden, slechts 52 jaar oud.

De weduwe Wolbert / Olde Hamsink.
Zijn vrouw, Janna Olde Hamsink, die op 30-jarige leeftijd achterblijft met vier kleine kinderen, zal het extra moeilijk hebben gehad om het werk op de boerderij gedaan te krijgen en de pacht op tijd te betalen. Het lukt haar dan ook niet allemaal. Op 12 augustus 1816 krijgt ze deurwaarder Franke op bezoek die haar namens de burgermeester, hoofd van de Armenstaat, sommeert voor het gerecht te Oldenzaal te verschijnen in verband met achterstallige huur. De rechter heeft weinig clementie.

Definitief vonnis
Tusschen Mr.F.C.W.Stork, burgermeester der Stad Oldenzaal, Eischer bij citatie van den eersten dezer, compareert in persoon ter eenre;
En de weduwe van Jannes Wolbert, doende boerderij en wonende op het Wolbert in Lemselo Gem. Weerselo in dit Kanton, Gedaagde uit kracht van voorzegde dagvaarding en Compareert in persoon ter andere zijde.
De Heer Stork concludeerde tot condemnatie van de Gedaagde in de som van zes en veertig gulden, negentien stuiver, zijnde een restant en gedeelte der pacht over de jaren 1812 en 1813 door de gedaagde aan den Requirant in zijn qualiteit als Burgemeester verschuldigd, reserve van overige reeds verloopene of nog loopende pacht, en in de kosten.
De weduwe Wolbert antwoorde dat zij de Heer Eischer gaarne wilde betalen doch door de ongelukken in de onmogelijkheid was geweest tot het aanzuiveren der pacht; dat zij echter aannam om binnen twee maanden de schuld te voldoen en tot zoo lang uitstel verzocht.
De Heer Stork zeide daarop dat hij de gedaagde reeds voor lang uitstel had verleend, dat zij thans een goed verbouw hebbende wel in staat was te betalen en dus aan haar geen verder uitstel behoorde te worden verleend.
De daadzaak wordt niet betwist- de gedaagde erkent de schuld.
Ten aanzien van het regt valt de vraag: moet niet schuldenaarsche, die de schuld erkent, worden gecondemneerd en kan men haar eenig uitstel toestaan?
Overwegende dat de gedaagde de schuld erkent. Overwegende dat zij
reeds voorheen uitstel van betaling heeft gehad. Overwegende dat de schuld niet zoo groot is of zij kan deselve spoedig ( wanneer men het voordelig verbouw in aanmerking neemt ) voldoen.
Zoo is het dat wij Mr.Lamb.Joh.Ant.Nieuwenhuis vrederegter van het Kanton Oldenzaal, Arrond.Almelo, Prov. Overijssel geassisteerd met onzen Griffier regtdoende in naam en vanwege Z.M. den Koning en sprekende vonnis in het laagste ressort, de gedaagde weduwe Wolbert condemneren bij deze binnen de tijd van acht dagen aan de Requirant te betalen de voorzeide som van ƒ 46,-, 19 st. wegens pacht aan hem in deszelfs qualiteit als Burgemeester verschuldigd- en in de kosten berekend op zes gulden vijf stuiver.
Gedaan te Oldenzaal in het Lokaal onzer geregtzitting den 14e Augustus 1800 zestien
L.J.H.Nieuwenhuis, vrederegter
Helderman, Griffier
Uit het vonnis blijkt dus dat ze in het jaar 1816 een goede oogst heeft gehad. De rechter concludeert dat ze best kan betalen. Dat het haar gelukt is een goed verbouw te hebben zal ongetwijfeld te danken zijn aan de hulp die de noabers [buren] hebben geboden en waarschijnlijk heeft onze Jan Kalter vooraan gestaan om deze jonge weduwe te assisteren. Zag hij mogelijkheden? Hij moet gedacht hebben: de een zijn dood is de ander zijn brood.

De Armenstaat in geldnood.
De Armenstaat, eigenaar van het Wolbert, was een instantie die zich inzette tot leniging van de nood onder de armen. Het benodigde geld daartoe kwam uit de bezittingen die ze in de loop der tijden via schenkingen had gekregen. In de 18e eeuw waren er zoveel armen dat men geld tekort kwam en hypotheken moest nemen op de bezittingen. Begin 19e eeuw werd het geldgebrek bij de armenstaat zo accuut dat men noodgedwongen bezittingen ging verkopen. In 1812 doet de burgemeester van Oldenzaal, als hoofd van de inmiddels tot een soort gemeentelijke instelling omgevormde Armenstaat, aan zijn meerdere in Zwolle het verzoek het erve Wolbert in Lemselo te mogen verkopen om aan geld te komen. De prefect, voorloper van de tegenwoordige commissaris van de koningin, schrijft terug dat de burgemeester daarover eerst met de gemeenteraad dient te overleggen en het verslag hiervan, samen met een taxatierapport van het erve Wolbert, moet opsturen naar Zwolle. Eerst dan kan de prefect een beslissing nemen.
Ambtelijke molens malen langzaam. Pas in november 1817 mag men overgaan tot de openbare verkoop van het erve Wolbert.

Publieke verkoop Erve Wolbert
In het jaar achtienhonderd en zeventien den veertienden November des namiddags te twee uren op het Stadhuys te Oldenzaal heb ik, mr.Frederik Carel Willem Stork, openbaar notaris te Oldenzaal en aldaar resiterende, Arrondisenaat Almelo, Provincie Overijssel, in tegenwoordigheid der hiertoe verzochte en mede ondertekende getuigen ter instantie van de Heeren Lambertus Johannes Antonius Nieuwenhuis, vrederegter van het Kanton Oldenzaal en Hendrikus Lewinus Daems apotheker, beide te Oldenzaal woonachtig, in kwaliteit als Administrateur van de Provisorie of Armenstaat der stad Oldenzaal, na verkregen authorisatie en onder nadere Appelatie van zijne Excellentie de Heer Gouveneur der Provincie, na behoorlijke gedane bekendmakingen en annonce in de Overijsselsche Courant publiek en aan den meest biedende publiek verkocht het erve Wolbert behorende aan den voornoemde Armenstaat gelegen in de boerschap Lemselo, kanton Oldenzaal bestaande uit een Boerenhuys, schoppen etc., en volgens den ligger van gemelden Armenstaat in 27 mudden drie en drievierden spint zaailand en acht en 3/8 dagwerk hooi en weideland, bezwaard, behalve met de landelasten, met een tiende grof en smal, met uitzondering van vijf mudden en drie spint zaailand welke zijn tiend vrij, alsmede met een jaarlijksche uitgaaf van acht gulden en veertig cent aan de Neder Duitse school te Oldenzaal en een schepel rogge jaarlijks aan den Provisor dienaar, op volgende voorwaarden.
De verkooping geschied bij inzate met schrijven onder bordjes, verhoging en toeslag met guldens van eenentwintig stuivers het stuk. En zal hij die bevonden word de hoogste inzate te hebben,daarvoor genieten de somma van vijftien gulden, welke inzategeld dadelijk na de verkoop door den koper aan den hoogsten inzetter zal worden betaald zonder het zelve wederomme aan de kooppenningen te mogen korten.
De aanvaarding zal plaats hebben dadelijk na den verkoop. Evenwel zal de tegenwoordige huurster het Erve in huur mogen houden tot Martini achtienhonderd en achtien welke huur nogtans vanaf Martini laatsleden ten voordele van den aankoper zal zijn.
Het gemelde Erve word verkogt met zijne lusten en lasten regten en geregtigheden zo en in dier voege als gemelde Armenstaat het zelve in eigendom bezit en met zodanige bezwaren als in het hoofd dezer conditie zijn uitgedrukt.
De koper zal gehouden zijn binnen agt dagen na den verkoop aan handen van de verkoper te betalen. De kosten van de registratie, de kopy van deze koopconditien en Proces Verbaal zullen mede door de koper worden bekostigd. Alle der overige kosten van deze verkoop zullen uit den een en twintigsten stuiver betaald worden.
De betaling der kooppenningen zal moeten geschieden aan handen van den tijdelijken Provisor van den Armenstaat voornoemd in twee egale termijnen namentlijk de eerste termijn op primo Februari aanstaande en den tweede termijn op primo Mai daaraanvolgende in goed, grof en gangbaar Hollandsch geld zonder korting, op poene van eene opstuiver van elke gulden.
De koper zal ter beschikking moeten stellen twee efficiente borgen, die zo wel als de koper zelve, voor de volle kooppenningen in solidum verbonden en ter eerste instantie als principale borger voor dezelve aansprakelijk zullen zijn, bij gebreke deeze zal het verkofte opnieuw worden opgehoogd tot schade en niet tot bate van den eersten gebrekkigen koper.
Die koper word ten behoeve van een ander, zal dadelijk na den verkoop zijnen lastgever moeten noemen.
Het verkogte Erve zal als een speciaal hypotheek, tot den vollen betalinge der kooppenningen verbonden blijven.
Zo den koop niet mogte doorgaan, zal er ook geen inzategeld worden betaald.
Zo er enig dispuut over de inzate en verkoop mogte ontstaan, zal zulks ter decicie van verkoper zijn.
Hierna ten koop gepresenteerd word het Erve Wolbert voornoemd zo als hetzelve in het hoofd dezer condities omschreven.
En is na het omkeren der bordjes bevonden den hoogsten inzate te zijn bij den Weleerwaarden Heer Johannes Palthe, Predikant en te Oldenzaal woonachtig, voor de somma van tweeduizend zeshonderd en vijfentwintig gulden - zegge ƒ 2625,-. Vervolgens dit perceel ter voorzeide somma ingezet zijnde, is daarvan kopersche geworden de tegenwoordige huurdersche van het Erve Wolbert met name Janna Olde Hamsink en op het gemelde Erve woonachtig, benevens Jannes Kalter, landbouwer in de boerschap Lemselo voormeld die zij tot medekoper benoemd, voor de somma van tweeduizend negenhonderd en tien gulden - zegge ƒ 2910,-, buiten en behalve de costen in de koopvoorwaarden gemeld, en heeft de kopersche, benevens haren medekoper, tot borger genoemd Herm Onink en Jan Hendrik Kalter beide landbouwers en in gemelde boerschap Lemselo woonagtig, beide present en deze borgtogt aannemende en hebben na gedane voorlezinge niet getekend, verklarende hunne namen niet te kunnen schrijven.
Aldus gedaan ten dage, maande en jare als boven en door de verkopers, de getuigen, die waren Johannes Heldermans, griffier bij het vredegeregt van het Canton Oldenzaal en Derk Willem Stork, ontvanger der directe belastingen te Weerselo, en de Notaris voornoemd na gedane voorlezinge getekend.
F.C.W.Stork
L.J.A.Nieuwenhuys, notaris
H.L.Daems
J.Heldermans
D.W.Stork.
Geregistreerd te Oldenzaal den veertiende November 1817
ontvangen tweehondert gulden drie en negentig cent met de 10de en 15de penning.

Jan Kalter en Joanna Olde Hamsink eigenaren Wolbert
Ze hebben het aangedurfd, Joanna Olde Hamsink en Jannes Luttikhuis op Kalter. Ze hebben samen het Wolbert gekocht! Hebben zij zich gerealiseerd dat ze daarmee in hun familie de ban doorbraken van een eeuwenlange horigheid aan edelen, kerk en andere overheden?
Jans voorvaders, Jan Luttikhuis op Kalter, Herman Luttikhuis, Willem Groothuis op Luttikhuis, Herman ten Grootenhuys, nog een Herman ten Grootenhuys, Hendrik ten Grootenhuys en waarschijnlijk nog velen daarvoor waren eigenlijk steeds behandeld als onmondige kinderen die arm werden gehouden ten behoeve van een goed leven van een paar bevoorrechten.
Voor Joanna Olde Hamsink was de vooruitgang nog groter. Haar voorvaders waren, haar achternaam verraadt het al, bewoners van een zeer klein boerenbedrijfje gelegen bij en toebehorend aan een grotere boerderij. Het waren mensen zonder enig bezit, thuiswevers en losarbeiders bij de boer, die meestal in bittere armoede leefden. Als zulke mensen een kind lieten dopen door de pastoor dan schreef die als extra vermelding in het dagboek: pauper [arm] !
Komend uit het Olde Hamsink was het voor Joanna al een stap vooruit toen ze bij Wolbert introuwde als jonge boerin, het bazin zijn op een eigen bezit moet een veel grotere sprong zijn geweest.
Hoe ze de koopsom konden betalen is onbekend. Waarschijnlijk is er een hypotheek afgesloten, maar er is geen kopie bewaard gebleven. Wel is er een akte bekend uit 1828 ; ze lenen dan ƒ 2000,- tegen 4% rente van Geert Herm Plagge uit Dahlen in het koninkrijk Hannover.

Kadasterkaart
Voor de ligging Kalter en Wolbert in Lemselo zie de eerste kadasterkaart. Situatie 1830, schaal 1 : 4000. Het kadaster werd in de jaren 1830 ingevoerd met de bedoeling tot een eerlijke heffing van de grondbelasting te komen. De aanzet hiertoe was reeds gezet in 1810 tijdens de Franse bezetting.

Kadasterkaart

Kalter
De tot het erf behorende gronden zijn dik omlijnd. Het erf bestond voornamelijk uit akkerland en een weinig grasland. Het stuk nr. 280 op de Broak behoorde ook tot het Kalter. Links naast perceel 284, niet meer op de kaart, lag de Oelenkamp, een persoonlijk bezit van de bewoners van het Kalter. In 1834 werd dit door Jan Hendrik Kalter uit geldgebrek verkocht.
De boerderij plus schuur van Kalter ligt op deze kaart noordelijker dan de tegenwoordige behuizing. Is er misschien in de vorige eeuw bij nieuwbouw een zuidelijker lokatie gekozen?
Ook het Olde Kalter is op de kaart aangegeven. Hier gingen de nakomelingen van Jan Hendrik Kalter wonen toen ze in 1839 van het Kalter vertrokken.

Wolbert
Ook hier zijn de erfgrenzen dik getrokken. Tot het erf behoorde ook een stuk akkerland op de Broak en enige lange smalle stukken op de Lemselosche Esch, boven Stegeman, niet op de kaart.
Het Kleine Wolbert of Nyhuis was een persoonlijk bezit van de bewoners van het erf. Zoals te zien liep hier de weg tussen huis en schuur door.
Op het Olde Wolbert, het lieftucht [olde], gelegen in de Riet, woonde in 1830 de familie, hoe kan het anders, Olde Wolbert. Het waren nazaten van ene Jan Wolbert uit de eeuw daarvoor, een tweede zoon van de toenmalige erfpachter. Voor hem was er geen plaats was op het erf en dus ging hij wonen op het Olde, de bekende oplossing. Hermina, de dochter van Jan Hendrik Kalter trouwde er naar toe in 1837.

Stegeman
Tot Stegeman behoorde ook het Olde Stegeman, het plaatsje 't Berkenrot en de wönnerplaats Smellink, niet op deze kaart.

Markegrond
De aangegeven wegen zijn uiteraard zandwegen die door de markegrond of veldgrond lopen. Dit terrein is door het kadaster op dat moment nog niet ingedeeld en genummerd. Dat zal een tiental jaren later gebeuren bij de verdeling van die gronden onder de boeren. Het in cultuur brengen hiervan heeft tot in de volgende eeuw geduurd.
De Lemselosche Beek loopt op deze kaart nog tussen Wolbert en Stegeman door. Later is deze beek verlegd, ze loopt nu boven Stegeman langs.

Verkoop het kleine Wolbert
Dat Jan en Joanna geldgebrek hadden blijkt als ze in mei 1818 het Nijhuis verkopen. Dit Nijhuis, ook Kleine Wolbert genoemd (zie plattegrond), met enig bouwland erom heen was een persoonlijk eigendom van de bewoners van het erf Wolbert en dus na de dood van Jan Wolbert in 1815 in het bezit gekomen van weduwe Joanna Olde Hamsink.
Jan Kalter en Joanna verkopen het Kleine Wolbert met halve gaard [dichtbij de broerderij gelegen stuk grond voor het verbouwen van aardappelen, groente en fruit] en enig bouwland, de beide lange stukken (het Boschstuk en het Heggestuk op het Berkenrot) voor ƒ 400,- aan Gerrit Jan Olde Hendrikman. Hij is 'tapper en boer' en via verkoop en vererving komt het in handen van de fam. Snijders die het nu nog bewoont.
Door deze verkoop kregen Jan en Joanna het aan de stok met Bartus Wolbert, de jongere broer van de overleden Jan Wolbert. Deze Bartus, een ongetrouwde oom die waarschijnlijk op het kleine Wolbert woonde, eist een kindsdeel van het verkochte en tevens achterstallig knechtenloon. Hij krijgt ƒ 250,- kindsdeel, ƒ 200- knechtenloon, elk jaar een viemme rogge en een spinde planken voor een baktrog [langwerpige houten bak waarin brooddeeg werd klaargemaakt] !
Bartus kwam in 1810 ook al in het nieuws als hij ter hoogte van het erve Stegeman een haas schiet en de 'Keizerlijke Jageropziener der Jagt en Visserij ' hem daarbij betrapt. Hij moet ƒ 50,- boete betalen en is zijn geweer kwijt.
Bartus Wolbert is overigens een duister figuur. Als in 1815 Jan Wolbert is overleden wordt hij benoemd tot een van de voogden over de nog minderjarige kinderen. Hij noemt zich dan de oom van deze kinderen. Ook in de rechtzaak in 1818 met Jan Kalter op Wolbert en Joanna Olde Hamsink over zijn deel van het Kleine Wolbert, noemt hij Joanna zijn voormalige schoonzuster. Hij zou dus een broer van de overleden Jan Wolbert moeten zijn. Echter, er is rond die tijd geen doop- of overlijdensakte te vinden van Bartus (Lambertus) Wolbert.. Deze akten zijn er wel van Lambertus Olde Wolbert (1784 - 1838), een ongehuwde zoon van Jan Wolbert op Olde Wolbert (in de Riet) en Joanna Olde Hindrinck. Deze Lambertus is echter een neef van de overleden Jan Wolbert. Zie de schema's van de echte Wolbert in hoofdstuk 35a en Olde Wolbert in hoofdstuk 35b. Hoe het precies in elkaar steekt is onduidelijk gebleven.

Het erve Wolbert in vroege tijd
We hebben er onze naam aan te danken, aan deze zeer oude boerderij in de vroegere marke Lemselo. Reeds in 1335 wordt het genoemd in een verkoop / ruil akte. Simon, de graaf van Bentheim, verklaart daarin dat hij aan Arnold Sconeveld verkoopt het huis Wolbertinc in de marke Lemselo in het kerspel Aldenzale, dit in ruil voor het huis Longherinc te Overbentlage, kerspel Rhein. De akte op de volgende bladzijde uit 1336 waarin Arnold van Sconeveld het Wolbert weer verkoopt, is interessanter vanwege de inhoud.
Arnolde van Sconevelde, knape en Elsche min eijghte wyff, Clawes onze sone en Margarete onze dochter en al mijn reghten erfgenamen doet kundig allen den de dezen breef seen solen oft horen leesen en betoghedet openbare in deze scrift dat wi eijnspraghtlike mit willen ende mit volborde al onser reghten erfgenamen verkooft hebbet rethelike ende redelike Geerde van Dulre ende Lamberte den Stengere en haren reghten erfgenamen onze hues dat gheheeten is te Walbertinc gheleegen in der marcke te Lemeslo in den Kerspele too Aldenzale mit toerve, mit tvighen, mit warschapen en mit aller slaghter nuet alijd alset gheleghen is ende dar to horet en anderlike mit vijf Luden also Geerde, Engelen, Ecberte, Anselen en Dahen. omme eijn ent aghtentigh marck brabantzgher pennighe genghe ende gheue, de ons mit eren betalent sijn in reden pennighen van Geerde ende Lamberte vorghenoemt ewelike ende erflike vor cijn reijght doren eijghen to besijttene en te brukene en wi vorgenoemde hebbet dat vernaemde hus mit aller slaght nuet also als hir voghezeget is Geerde en Lamberte vorgenoemt to erve erfgenamen behof opghedraeghen in den gherighte tot Aldezale der et inne gheleeghen is vor Meijer Arnolde righte dar selves in eijnen hegeden heijmale. En draeghedet em op in desen iegenwerdighen breeve ende solen Geerde ende Lamberte vorgenoemt ende eren reghten erfgenamen wi ende onse reeghte erfgenamen des vornoemden huses mit aller slaght nuet also alset gheleghen is en alst hirovergheseget is waren ver. sijn reijght vrieijghen wo men eijne vrighen eijghens van reijghte sal waren. Also alse wi ghelovet hebbet ende lovet vastlike in desen breve te leestene. In orkunz al deser vornoemden stucke so hebbet Arnolde van Sconeveld vorgenoent desen breef ghegheven ende beseghelt mit mines selves in ghesgele vor mi, vor min wijff, vor mine kinder en vor al mine reghten erfgenamen in eijne ewighe vestnisse en starkgheijt gescheen ende ghegheven. Int jaar onses Heer dusent drei hondert secs en dertigh op Sente Fabians ende Sebastians, daag tvijer heijligen Martelare. Dar over in anwez. Wighman van Eghene ende Geert van Keppele, knapen, Geert Snoijer en Ludiken Vogel schepen van Aldenzale en anders bederver Lude ghenogh.
Het komt in het bezit van Geerdt van Dulre en Lamberte den Stengere. Ze kopen het erf inclusief de vijf bewoners: Geert Engelen, Ecberte, Ansele en Dahen. Zo ging dat vroeger!
Het Wolbert kon volledig in zijn eigen behoeftes voorzien. Het had zijn eigen turf, belangrijk in de tijd zonder steenkolen en olie, en het had zijn eigen twighen (twijgen) noodzakelijk voor het optrekken van de muren van de behuizingen. Men maakte een vlechtwerk van wilgetakken en bestreek dat met leem.
In 1430 verkopen Gerlich Nijenhuis en Geze zijn vrouw de helft van Wolbert aan Evert ter Scuren die het op zijn beurt in 1434 verkoopt aan Johan Woltkaten. Al deze kopers en verkopers waren alleen eigenaren, geen bewoners. Dat waren de horigen op het erf, die bij een verkoop mede werden overgedaan. In januari 1440 verkoopt Gerlich Nyehuis de helft van het erf aan de 'Raadluiden en Provesoren van den Heiligen Geest te Oldenzaal'. Ook de andere helft komt later in het bezit van deze liefdadigheidsinstelling, de voorganger van de latere, reeds eerder genoemde Armenstaat.
Bij de belastingaanslag van 1475 wordt het erve Wolberting aangeslagen voor twee schilden, dat wil zeggen ongeveer 60 stuivers = 3 gulden. De hoogte van deze aanslag was een maat voor de rechten die het erf bezat in de marke zoals het aandeel in de gemeenschappelijke markegrond (onbewerkte grond) en zeggenschap in het Markebestuur. De belastingaanslag in 1601 leert ons dat het niet zo goed gesteld is met het erve Wolbert. Het is de tijd van de 80-Jarige oorlog en veel boerderijen zijn onbewoond of worden slecht bewerkt. De omschrijving van de boerderij bij deze belastinginning luidde :
Wolbert, wort durch eene arme weduwe bewoont, heeft middelbaers landen,
1 mudde, 1 schepel an lege waterige landen, 1 mudde, 1 schepel an olthovige land,
3 mudde, 1½ dach maet gronlanden
Verklaring:
Middelbaersland: middelmatig land, tussen goed en slecht in.
Lege waterige land: laag waterig land.
Olthovig land: reeds lang tot het erf behorende grond.
1 mudde is 4 schepel, ongeveer 0,4 ha. 1 dagmaat is 1 dag maaien, ongeveer 0,6 ha. Het totale oppervlakte aan bewerkte grond was dus toen ruim 3 ha.

Erfwinning
In 1646 doen Geert Wolbertinc en Aelken zijn vrouw, bewoners van de boerderij, erfwinning van het Wolbert .
Op 28 Aug 1646 heeft Geert Wolbert voor hem en Aelken, eheluyden, meyer vant H. Geest Gasthuys, voor hen beyden leven verstiffenis gedaan vant Erve Wolbert gelegen in de Gerighte Oldensaal, buirschap Lemselo en sulx voor ƒ 120,-, de ƒ 20,- te betalen op Martini thokomede en de hondert op volgende Jacobi, waarvoor hem behoorijke verstiffbreeve in forma zal gegeven worden. Tot welck huur hij jaarlijks to pacht zall geven thien mudde rogge ende 8 m. haver, oft voor 8 m. haver tot zijn optie 4 mudde Rogge in de plaats, sulx op elke martini.
Act. Oldenzaal voor ons ondersch. als Burgemeester en profisoren
B. Kettwig Sign. Gert Wolbert
Ber. Roeck selffs geteykent
Den 10 jan. 1647 Wolbert hier op betaalt ƒ 20,-
Erfwinning, of verstiffenis doen, wil dus zeggen dat men het recht koopt om levenslang op het bewuste erf te kunnen blijven wonen, uiteraard tegen betaling van een som geld ineens en een jaarlijkse pacht in natura of geld. Deze erfwinning kostte Geert en Aelken 120 gulden. Aan pacht moest Geert op St. Martini (11 november) tien mudde rogge en acht mudde haver betalen. Voor de acht mudde haver mocht naar keuze ook vier mudde rogge betaald worden. In deze erfwinningsakte maken we ook kennis met het handmerk van de bewoner van het Wolbert, dat op geen stukken na zo karaktervol is als dat van Groothuis:



Handmerk Wolbert - Handmerk Groothuis


Als in 1695 de overheid weer eens geld nodig heeft bedenkt men een nieuw soort inkomen: zoutbelasting. De weduwe Wolbert wordt ook aangeslagen maar krijgt vrijstelling vanwege haar armoede.
Een nieuwe belasting in 1720 kan men niet ontlopen, Wolbert moet ƒ 55,- gulden, 4 stuivers en 14 penningen betalen, eenzelfde bedrag als de andere grote erven in Lemselo.
Bij de volkstelling in 1748 worden als bewoners van het erf genoteerd:
Weduwe Wolbert
kinderen ouder dan tien jaar: Joanna, Gerrit en Fenne
kinderen jonger dan tien jaar: Evert, Jannes en Fenneke
knecht: Berent

Opknapbeurt behuizingen
In 1759 is de Armenstaat genoodzaakt het nodige onderhoud te laten uitvoeren aan de gebouwen. Evert ten Bos wordt aangezocht dit te beoordelen en een opgave van de nodige materialen te maken.
En opstel van noetsakelijke materiaalen an die behuisinge van Wolbert in lemsel van steen en hout.
  1. An het rigte huis moet weesen een gevel en voor die beide enden wintveren, daartoe moet weesen 300 voet planken en als Wolbert die halt van losser dan kan men die koopen voer 9 duiten die voet.
  2. An het bakhuis, het geen ter needer vallen wil, moet weesen 60 voet bentemer stene in die lengte, die stene behoeven maar 1 voet breet te zijn, nog tot messelen rontom 2000 bakstene en 5 tonne kalk en 6 ribben van 9 voet, 2 van 7 voet tot duiren stijlen en 2 posten en 24 voet planken tot een duire.
  3. Tot het ouwe huis, het geen dat verplagt staat en het gronthout vergaan is, oerdel ik om best te doen voor het gronthout bentemerstenen te geven dan moetten die weesen 126 voet lengte, 50 voet van 1 voet breed en 76 voet van 5 verdel ( 5/4de) breet en 6 ribben en eenige latten, Dit boeven genoemde hout, buiten die planken, is wel op het erve Wolbert te krigen.

Evert ten Bos
Burgermeester Palthe word geauthoriseert om boven staande reparatie op het minsaamste te reguleren en werkstellig te maken.
Oldenzael 19 februari 1759
Ter ordantie,
Wilh.Bekkers.
Aan het hoofdgebouw hoeven alleen de windveren [houten planken langs de dakrand aan de voor- en achtergevel] en een (planken) gevel vernieuwd te worden. Het bakhuis staat op instorten en wordt nieuw gebouwd met Bentheimersteen [soort zandsteen] als fundering. Uit de 60 voet lengte aan deze stenen blijkt dat het bakhuis de grootte had van een tegenwoordige autostalling, circa 3,5 x 5,5 meter.
Het onder punt drie genoemde oude huis is het bij het erf behorende lieftucht, het Olde Wolbert. Het lag in de Riet, zie de kadasterkaart.
Dit oude huis was nog gebouwd met grondhout op plaggen als fundering en Evert ten Bos stelt voor het op Bentheimersteen te funderen. Gaan we ervan uit dat de voet ongeveer 30 cm. is dan waren de afmetingen van het huis dus ongeveer 7,5 x 11,5 meter.

Weinig vee
Bij de veetelling in 1799 blijken er bij Wolbert vijf stuks van boven twee jaar en drie stuks jongvee rond te lopen. Voor een boerderij van die grootte in die tijd een normaal getal. Akkerbouw was belangrijker dan melkproduktie. Bovendien was er nog geen kunstmest.
In 1801 krijgt de bewoner, Jan Wolbert, het aan de stok met het markebestuur. Hij heeft plaggen [brandplaggen: bovenste 5 cm van heideveld, gebruikt voor open vuur; dekplaggen: afgestoken 10 cm bovenlaag van veengrond, gedroogd dienend als afscherming tegen koude en regen van aardappels en wortels] gestoken op de markegrond maar niet op het stuk dat door het bestuur al jaren daarvoor was aangewezen voor de erven Boerrigter, Hendrikman, Stegeman en Wolbert.

Wie woonden er op het Wolbert in de loop der tijden?
Er is geen poging gedaan dit precies uit te zoeken, de hierna opgezette reeks van jaartallen en namen zijn naar voren gekomen door het zoeken naar bijzonderheden over het erf. Daar waar de verticale verbindingslijn ontbreekt is geen familieband bewezen.

1336
Geerde, Engelen, Ecberte, Anselen en Dahen

1605
Albert Wolbertink

1626
Herman Wolbertink
|
1646
Geert Wolbert x Aelken Loysinck uit Driene
|
1686
Herman Wolbert

1720
Jan Wolbert x Joanna Stegeman uit Lemselo
|
1760
Gerrit Wolbert x Gese Reestman uit Gammelke
|
1806
Jan Wolbert x Joanne Olde Hamsink uit Lemselo
|
Gesina ° 1806
Geertrui ° 1808
Jan Hendrik ° 1811
Gerhardus ° 1814

Nog even voor alle duidelijkheid: er is geen bloedverwantschap tussen bovengenoemde Wolberts en de Wolberts waarvoor deze kroniek is geschreven. We zijn alleen verwant met de kinderen van bovenvermelde Jan Wolbert en Joanna Olde Hamsink omdat we dezelfde voormoeder hebben. Als in 1815 deze Jan Wolbert is overleden komt onze voorvader Jan Kalter zich in 1818 melden op het Wolbert.

Jan Kalter naar Wolbert
Voordat Jan Kalter samen met de weduwe Joanna Olde Hamsink in november 1817 het erf koopt, zullen ze onderling al besloten hebben samen door het leven te gaan. Na de koop maakt men er spoedig werk van. Dit was nodig want ze hadden al aan een nakomeling gewerkt. Ze moesten beiden voor het burgerlijk huwelijk, ingevoerd onder Napoleon, een extract uit het doopboek van Rossum overleggen. Jan moest middels een verklaring van bekenden uit de buurt aantonen dat hij de zoon was van de overleden Jan Luttikhuis op Kalter. Hieronder de twee uittreksels uit het doopboek en vervolgens de in zwierige stijl geschreven notoriteitsakte van Jan, voor de duidelijkheid gevolgd door de tekst in drukletters.

Notoriteitsverklaring
Op heden den twintigsten December des jaars achttienhonderd zeventien compareerden voor ons, mr. Joh. Ant.Nieuwenhuis, vredenregter van het Kanton Oldenzaal, Arrondisement Almelo, Prov.Overijssel, geassisteerd met de Heer Joh. Helderman, onze griffier:
1 Gerrit Jan Oude Hendrikman, oud 70 jaar
2 Lambert Oude Hams, oud 61 jaar
3 Bartus Wolbert, oud 41 jaar
4 Jannes Oude Wolbert, 38 jaar
Welke personen ter instantie van Jannes Kalter, landbouwer wonende in Lemselo, onder aanbod van eede aan ons hebben verklaard dat zij zeer goed kennen den Requirant, alsmede zijne moeder en dat zij zeer goed hebben gekend zijnen vader die genaamd was Jan Kalter van den welken zij met genoegzame zekerheid weten dat hij voor ruim twee en twintig jaren in Lemselo gestorven en alhier te Oldenzaal begraven is.
Waarvan deze Acte van notoriteit is opgemaakt om te strekken in plaats van een Extract uit de registers van overlijden dewijl voorheen zoodanige Registers alhier niet gehouden zijn.
Na voorlezing hebben wij Vrederegter en Griffier alleen geteekend dewijl de getuigen verklaren hunne namen niet kunnen schrijven.
Gedaan binnen Oldenzaal in ons Geregtslocaal en ten maand en jare als boven
J.A.Nieuwenhuys, vrederegter. J.Helderman, griffier
Getuige nr. 1 is een buurman van Kalter,
2 is de vader van de wed. Joanna Wolbert/Olde Hamsink,
3 is de jongere broer van de overleden Jan Wolbert,
4 is een neef van de overleden Jan Wolbert en wonend op het Olde Wolbert in de Riet.
Het huwelijk tussen Jan Kalter en Joanna wordt gesloten op 10 januari 1818. Op 28 juli 1818 komt hun eerste kind, een zoon, zich melden die ze uiteraard de naam Jan geven naar de overleden eerste man van Joanna en naar vader en grootvader Kalter. In 1821, 1824 en 1827 volgen nog Joanna, Gerrit Jan en Lambertus, respectievelijk genoemd naar de moeder, oom van de moeder en vader van de moeder.
De achternamen van deze vier kinderen vormen een verhaal op zich. Bij de geboorte-aangifte van de oudste in 1818 meldt Jan Kalter zich bij de burgerlijke stand als Jan Wolbert. In 1821, 1824 en 1827 geeft hij respectievelijk als zijn eigen naam op: Kalter op Wolbert, Kalter en Wolbert met als gevolg dat de betrokken kinderen ook deze verschillende achternamen droegen.
De samenstelling van het gezin na 1827 is:

Jan Kalter op Wolbert
x
Joanna Olde Hamsink
|
| Gesina Wolbert ° 1806
| Geertrui Wolbert ° 1808
| Jan Hendrik Wolbert ° 1811
| Gerhardus Wolbert ° 1814
|
+ Jan Wolbert ° 1818
|
+ Joanna Kalter op Wolbert ° 1821
|
+ Gerrit Jan Kalter ° 1824
|
- Lambertus Wolbert ° 1827

Jan Kalter en Joanna hebben blijkbaar goed geboerd: uitgezonderd de hypotheek van 1828 hebben ze geen schulden gemaakt en ook zijn ze niet met het gerecht in aanraking gekomen.

Opheffing Marken
In het begin van de 19de eeuw had Nederland onder Napoleon een indeling gekregen naar gemeenten. Zo werd de gemeente Weerselo gevormd bestaande uit o.a. de marken Deurningen, Dulder, Rossum en Lemselo. De Markebesturen werden opgeheven en de gemeenschappelijke markegronden, altijd gebruikt door de bestaande erven, werden verdeeld onder die erven naar rato van hun grootte. In Lemselo krijgt dat in 1842 zijn beslag en Wolbert krijgt 13 ha. toebedeeld. Het totale bezit komt dan op ruim 32 ha.
Jan heeft dit nog meegemaakt en misschien reeds een begin gemaakt met het in cultuur brengen van deze woeste grond.
Ondanks het feit dat hij pas op 47-jarige leeftijd in het huwelijk treedt heeft hij toch nog zijn jongste kinderen bijna volwassen zien worden. Zou hij zich zorgen gemaakt hebben over de erfopvolging met twee stiefzonen en drie eigen zonen die daarvoor beschikbaar waren?
Hij komt te overlijden in april 1845, juist voor de crisisjaren met mislukte oogsten en veel ziekte. Hij werd 74 jaar oud.

Weduwe Joanna Olde Hamsink met vijf zonen
Joanna Olde Hamsink is weer weduwe maar ze heeft nu vijf volwassen zonen en een dochter in huis plus twee uitgetrouwde dochters, te weten:
Gezina met Hendrik Ophuis uit Beuningen, kinderen Jan Hendrik, Jan, Gradus en Maria.
Geertrui met Gerard Kip uit Lemselo, kinderen Herman, Jannes, Maria, Gerrit Jan, Joanna en Hendrika.
Met zoveel mankracht ter beschikking is in die jaren ongetwijfeld hard gewerkt aan de vergroting van het areaal bouwgrond. Jan Hendrik en Gerhard, de twee zonen uit Joanna's eerste huwelijk, waren inmiddels op huwbare leeftijd maar hadden geen enkel recht op overneming van de boerderij, zeker niet zolang hun moeder nog leefde. Ze hadden bij een eventuele verdeling alleen recht op een kindsdeel van moederszijde, dus een half kindsdeel, omdat hun vader bij zijn overlijden in 1815 geen eigenaar was van het Wolbert. Het kan bijna niet anders of dit zal binnen het gezin spanningen teweeg hebben gebracht. Joanna Olde Hamsink komt echter uit de stukken naar voren als een zelfstandige, flinke vrouw die de teugels goed in handen had.
Bovendien was haar vierde zoon, Gerrit Jan, blijkbaar iemand die de boel kon en wilde regelen. Hij was het die naar buiten toe het Wolbert steeds vertegenwoordigde, hetzij in koop van brandhout of gras of verkoop van rogge en dergelijke. Bij die transacties gebruikte hij naar willekeur als achternaam Wolbert, Kalter op Wolbert of Kalter, daarmee de kleinzoon van zijn broer anderhalve eeuw later veel last veroorzakend bij het op een rij zetten van de familiegegevens.
In 1860 koopt Gerrit Jan met eigen geld de garftienden af, die er nog steeds rustten op bepaalde delen bouwgrond van Wolbert, zie akte verkoop 1817. Hij moet er ƒ 500,- voor betalen en het Wolbert is nu geheel vrij van rechten van derden. Dit kopen van de garftienden door Gerrit Jan was een zeer taktische zet. Hij verkreeg hierdoor rechten op het Wolbert die zijn broers en halfbroers niet bezaten en dat zou van belang kunnen zijn bij de eventuele verdeling van het erf.
Ter verduidelijking: garftienden, grof en smal wil zeggen:
grof: 1/10 deel opbrengst akkergewassen
smal: 1/10 deel opbrengst peulvruchten.

Smokkelaar?
Zou Gerrit Jan het geld verdiend hebben met smokkelen? In 1848 wordt hij opgepakt en veroordeeld tot een maand gevangenisstraf vanwege 'frauduleuse invoer van accijnsgoed'. In het procesverbaal luidt zijn beschrijving:
Gerrit Jan Wolbert, zoon van Jannes W. en Janna Olde Hamsink, Lemselo, 24 jaar, 1.77 lang, brede plet, ovaal gezicht, grote neus en mond, ronde kin, gezonde kleur, blauwe ogen, bruin haar, twentse tongval, wever, ongehuwd
Of hij werkelijk een maand in het gevang gezeten heeft is niet bekend. Ook bij Wolbert werd bijverdiend met thuis weven. Dat zal bij meer boeren het geval geweest zijn, zeker in de wintermaanden.

Jan wacht niet langer!
Konden Jan Hendrik en Gerhard weinig rechten doen gelden om op de boerderij te trouwen, Jan de oudste uit het tweede huwelijk van Joanna Olde Hamsink, kon meer aanspraak maken. Hij maakte daar geen gebruik van. Inmiddels 36 jaar geworden ontmoette hij Geertruida Klieverik uit Zuid Berghuizen. Ze trouwen op 24-7-1855 en huurden een boerderij in de buurt van Daggel in Dulder, dus ook in de gemeente Weerselo. Jan en Geertruida zijn de voorouders van de Wolberts in Beuningen en komen uitgebreid ter sprake in de hoofdstukken 11 tot en met 18.

Gerhard ook niet
De jongste zoon uit het eerste huwelijk van Joanna Olde Hamsink zag een plaats vrij komen bij de buren. Hij huwde in 1862 met Johanna ter Wee, weduwe van Joan Bernard Veltman en wonend op het Stegeman, de naaste buur van Wolbert. Meer over deze verbintenis onder het hoofdstuk Stegeman - Veltman (hoofdstuk 35) en Wolbert (hoofdstuk 35a).

Jan Hendrik berust er in
Jan Hendrik, ook uit het eerste huwelijk van Joanna, besloot vrijwillig of onvrijwillig niet te trouwen en bleef tot het eind van zijn leven op het Wolbert.

Overlijden Joanna Olde Hamsink
Joanna bereikte de gezegende leeftijd van bijna 83 jaar, een hoge leeftijd voor die tijd. Ze heeft het zeker niet altijd gemakkelijk gehad op Wolbert maar ze was blijkbaar een flinke vrouw die niet bij de pakken ging neerzitten. Ze gaat hemelen op 10 augustus 1866. Meer over haar afkomst in het hoofdstuk Olde Hamsink.
Na het overlijden van Joanna Olde Hamsink zijn thuis de ongehuwden:
Jan Hendrik, 55 jaar
Johanna, 45 jaar
Gerrit Jan, 42 jaar
Lambertus, 39 jaar

Jan Wolbert ° 8-1-1764 † 8-5-1815
Kx 15-4-1806
Joanna Olde Hamsink ° 2-9-1783
|
+ Gesina Wolbert ° 11-8-1806 x Hendrik Ophuis (Beuningen)
|
+ Geertrui Wolbert ° 22-12-1808 x Gradus Kip (Gammelke)
|
+ Jan Hendrik Wolbert ° 3-10-1811 ongehuwd
|
- Gerhardus Wolbert ° 6-7-1814 zie hoofdstuk 35a

Jan Kalter op Wolbert ° 18-1-1771 † 27-4-1845
Bx 10-1-1818
Joanna Olde Hamsink ° 2-9-1783 † 10-8-1866
|
+ Jan Wolbert ° 28-7-1818 zie hoofdstuk 11
|
+ Johanna Kalter op Wolbert ° 6-9-1821
|
+ Gerrit Jan Kalter ° 10-5-1824
|
- Lambertus Wolbert ° 1-5-1827

Boedelscheiding Wolbert
Nu de ouders overleden zijn moeten de nagelaten goederen, roerende en onroerende, worden verdeeld.
Op 5 december 1866 vindt, in tegenwoordigheid van notaris Wijnbergen en alle erfgenamen, op het erf een inventarisatie plaats van alle roerende goederen, schulden en tegoeden. Alleen de opsomming en waardebepaling van de roerende goederen in deze akte is van belang en deze lijst is opgenomen in de hieronder weergegeven akte van boedelscheiding op 14 januari 1867. De kinderen uit het huwelijk Jan Kalter en Joanna Olde Hamsink noemen zich nu allemaal Kalter. Bertus = Lambertus.
Voor mij Henricus Wilhelmus Carolus Johannes van Wijnbergen notaris gevestigd te Oldenzaal, Arrondissement Almelo, Provincie Overijssel, in tegenwoordigheid der na te noemende getuigen, voorts ten overstaan van den Edel Achtbaren Heer Meester Arnold Albert Willem van Wulfsen Palthe, Regter van het Kanton, van en wonende te Oldenzaal compareerden :
  1. Gerrit Jan Kalter,
  2. Jannes Kalter,
  3. Janna Kalter,
  4. Bertus Kalter, allen landbouwers in Lemselo te Weerselo.
  5. Hendrikus Ophuis, Landbouwer wonende in Beuningen te Losser zoo voor zich als in hoedanigheid van vader en wettige voogd over zijn bij wijlen zijne huisvrouw Gezina Wolbert in echte verwekte twee nog minderjarige kinderen met namen Gradus en Maria Ophuis.
  6. Jan Hendrik Ophuis, Landbouwer.
  7. Johannes Ophuis, Boerenknecht.
  8. Jan Scheur, Landbouwer zoo voor zich als in algehele gemeenschap van goederen in huwelijk hebbende Johanna Ophuis, de 3 laatsten wonende in Beuningen te Losser.
  9. Gradus Wolbert, Landbouwer wonende op Stegman in Lemselo te Weerselo zoo voor zich als in hoedanigheid van toeziende voogd over voornoemde twee minderjarigen.
  10. Hendrik Wolbert, Boerenknecht wonende in Lemselo te Weerselo
  11. Geertruida Wolbert, weduwe van wijlen Gradus Kip, landbouwersche wonende in Gammelke te Weerselo, zoo voor zich als in hoedanigheid van moeder en wettige voogdesse over hare drie minderjarige kinderen uit gemeld hare huwelijk met namen: Gerrit Jan, Johanna en Hendrika Kip.
  12. Hermannus Kip, Landbouwer wonende in Lemselo te Weerselo.
  13. Jannes Kip, Landbouwer wonende in Gammelke te Weerselo.
  14. Maria Kip, Landbouwster wonende in Gammelke te Weerselo
  15. Gradus kip, Logementhouder wonende te Oldenzaal in hoedanigheid van toeziende voogd over genoemde minderjarigen Gerrit Jan, Johanna en Hendrika Kip.

Zijnde voornoemde Gerrit Jan, Jannes, Janna en Bertus Kalter de enige kinderen uit het huwelijk van wijlen Johanna Olde Hamsink met haren tweeden Eheman Jannes Kalter, beide gewoond hebbende en overleden te Weerselo, terwijl genoemde Geertruida, Gradus en Hendrik Wolbert benevens wijlen Gezina Wolbert zijn de enige kinderen uit het huwelijk van wijlen genoemde Johanna Olde Hamsink met haren eersten Eheman Jannes Wolbert ingelijks gewoond hebbende en overleden te Weerselo.
Welke comparanten, willende treden tot de scheiding en verdeling van den boedel, gemeen geweest tussen wijlen genoemde Ehelieden Jannes Kalter en Johanna Olde Hamsink, daartoe vooraf verklaarden aan te merken :
Dat wijlen genoemde Johanna Olde Hamsink in den jare achtien honderd vier, onder de wetten van den Lande van Overijssel is gehuwd met Jannes Wolbert, welke laatste is overleden in den jare achtien honderd twaalf, tot zijne erfgenamen nalatende zijne kinderen, voornoemde Geertruida, Gradus en Hendrik benevens wijlen Gezina Wolbert. Dat wijlen genoemde Johanna Olde Hamsink in den jare achtien honderd vijftien en dus onder het vigeren der Code Napoleon, met wijlen Jannes Kalter genoemd is hertrouwd welke laatste is overleden in den jare achtien honderd drie en veertig, ter zijne erfgenamen nalatende zijne kinderen, voornoemde Gerrit Jan, Jannes, Janna en Bertus Kalter, ingelijks voor een achtste gedeelte ieder. Dat wijlen Gezina Wolbert, welke in den jare achtien honderd drie en dertig en also onder het vigeren der Code Napoleon met den comparant Hendikus Ophuis gehuwd is en overledenin den jare achtien honderd vier en zestig tot hare erfgenamen nalatende hare uit gemeld haar huwelijk gesproten kinderen, voornoemde Jan Hendrik, Johannes, Johanna, Gradus en Maria Ophuis, ieder voor een vijfde gedeelte.
Dat de comparante Geertruida Wolbert in den jare achtien honderd acht en twintig, also onder het vigeren der Code Napoleon, is gehuwd met wijlen voornoemde Gradus Kip, welke laatste is overleden den derden Mei achtien honderd zes en zestig, tot zijne erfgenamen nalatende zijne uit gemeld zijn huwelijk gesproten kinderen, met namen : Hermannus, Jannus, Maria, Gerrit Jan, Johanna en Hendrika Kip.
Dat de nalatenschap van wijlen Jannes Wolbert reeds vroeger tot onderling genoegen is gescheiden en gedeeld en de hierna te vermelden onroerende goederen staande het tweede huwelijk zijn aangekocht en also tot de gemeenschap van goederen tussen wijlen de Ehelieden Jannes Kalter en Johanna Old Hamsink bestaan hebbende, behoren.
Dat over den bij dezen te verdeling gemeenschappelijke boedel, bij proces verbaal van den vijfden December der vorigen jaars ten overstaan van mij Notaris inventaris is opgemaakt waarbij de roerende goederen zijn geschat door Johannes Olde Stegge, landbouwer wonende in Lemselo te Weerselo, als deskundige door de deelgenoten daarin verkozen, en die als zodanig den vijftienden October jongstleden in handen van voornoemden Heer Kantonregter van Oldenzaal den vereisten eed heeft afgelegd.
Dat met in achtneming der bepalingen van het Burgelijk Wetboek, de onroerende goederen, tot den bij dezen te verdeeling boedel behorende zijn gewaardeerd door 1e voornoemden
Johannes Olde Stegge, 2e Hermannus Snijders en 3e johannes Sanderink beide landbouwers in Lemselo te Weerselo wonende, die als zodanig door meergenoemde heer kantonregter van Oldenzaal zijn beeedigd den vijftiende October den vorigen jaar, blijkens acte van waardering den een en twintigsten December van den vorigen jare voor mij Notaris verleden.
Dat de roerende en onroerende goederen in deeling zullen worden gebragt naar de waarden waarop zij bij gemelde inventarisatie en acte van waardering zijn gebracht. Dat de schulden ten laste van den bij dezen te verdeelenen gemeenschappelijke boedel bestaande en bij deesgenoemde inventaris omschreven door de deelgenoten,ieder voor hun aandeel, zullen worden gedragen en voldaan.
Dat de te verdeelene gemeenschappelijke boedel bestaat uit het volgende:
Onder Weerselo
A. Eene boerenerve genaamd het Erve Wolbert, bestaande uit huizen en erven, hooi,wei en bouwlanden, bosch, opgaande bomen, hakhout en heide, staande en gelegen in Lemselo Gemeente Weerselo, samen groot twee en dertig bunder veertig roeden. Sectie H nummers 79,81,t/m.95,97,113,125,128,132,136,271,282,487, 499,500,503,504,514,515,518,551,553,568,610,615,720, en 738, waarvan de percelen bouwland Sectie H nummer 79,83,87,88,125,128, 132,136,en 282 zijn bezwaard met een garftiend, grof en smal, ten behoeve van Gerrit Jan Kalter te Lemselo te Weerselo en nog eene jaarlijkse uitkering ten behoeve van den Algemenen Armen van Oldenzaal groot negen gulden vijftig cents, verschijnende jaarlijks op den elfden November, met inachtneming den bezwaren, door voornoemde deskundigen geschat op de som van vijfduizend vijf honderd gulden ƒ 5500,-
B. Roerende Goederen.
Drie paarden door voornoemde deskundige
geschat op driehonderd vijftig gulden 350,-
Negen koeien op vier honderd gulden 400,-
Een hokkeling en twee kalveren op zestig gulden 60,-
Twee varkens op negentig gulden 90,-.
Ingeoogste rogge met stroo op vijf honderd gulden 500,-
Twee biggen op twintig gulden 20,-
kippen op tien gulden 10,-
Ingeoogste boekweit op zestig gulden 60,-
Ingeoogste haver op zestig gulden 60,-
Eene partij aardappelen op honderd tachtig gulden 180,-
Twee wagens op honderd gulden 100,-
Ploeg en eegden op vijftien gulden 15,-
Boerman gereedschap en paardentuig op zestig gulden 60,-
Hout en turf op dertig gulden 30,-
Een kast op acht gulden 8,-
een tafel op een gulden en vijftig cent 1,50
Een klok op tien gulden 10,-
Spiegels en schilderijen op drie gulden 3,-
Twee kookketels op twintig gulden 20,-
Melk en karngereedschappen op twintig gulden 20,-
Borden, potten, pannen,lepels, vorken en verdere
kleinigheden op vijf en twintig gulden 25,-
Vier bedden met toebehoren op tachtig gulden 80,-
Spek en worst op twintig gulden 20,-
Twee varkens op vijftig gulden 50,-
Een kafmolen en twee ketels op veertig gulden 40,-
Kontanten:
In de boedel zijn geen kontante penningen voorhanden. 0,-
ƒ 2312,50
C. Eene schuldvordering te laste van Bernardus Stegman
in Lemselo te Weerselo groot vijf en twintig gulden 25,-
D. Eene schuldvordering ten laste van Hermannus Snijders
in Lemselo te Weerselo groot twintig gulden 20,-
E. Eene schuldvordering ten laste van Jannes Smellink
te Lemselo in Weerselo groot twintig gulden 20,-
F. Hetgeen door den Comparant Johannes Kalter uit den boedel is genoten en door hem weder moet worden ingebragt ter som van honderd gulden 100,-
G. Hetgeen door den Comparant Gradus Wolbert uit den uit den boedel is genoten en door hem weder moet worden ingebragt ter som van honderd vijftig gulden 150,-
Makende samen de massa van het te verdelende som van acht duizend honderd zeven en twintig gulden en vijftig cent f 8127,50
Waarin komt:
De comparant Gerrit Jan Kalter drie zestiende of vijftienhonderd drie en twintig gulden een en negentig cent 1523,91
De comparant Jannes Kalter drie zestiende of vijftien honderd drie en twintig gulden een en negentig cent 1523,91
De comparante Janna Kalter drie zestiende of vijftien honderd drie en twintig gulden een en negentig cent 1523,91
De comparant Bertus Kalter drie zestiende of vijftien honderd drie en twintig gulden een en negentig cent 1523,91
De comparant Hendrikus Ophuis met zijne kinderen Jan Hendrik, Johannes, Johanna, Gradus, Maria Ophuis te samen voor ingelijke aandelen een zestiende of vijf honderd zeven gulden zeven en negentig cent 507,97
De comparant Gradus Wolbert een zestiende of vijf honderd zeven gulden zeven en negentig cent 507,97
De comparant Hendrik Wolbert een zestiende of vijf honderd zeven gulden zeven en negentig cent 507,97
De comparant Geertruida Wolbert met hare kinderen Hermannus,Jannes, Maria, Gerrit Jan, Joanna en Hendrika Kip te samen voor ingelijke aandelen een zestiende of vijfhonderd zeven gulden zeven en negentig cent 507,97
Makende samen achtduizend honderd zeven en twintig gulden en vijftig cent
8127,50
En dan tot verdeling overgaande zoo verklaren de comparanten dezelve, onder goedkeuring van den Heer Kantonregter te doen in maniere als volgt:
Aan Gerrit Jan Kalter wordt hiermede toebedeeld:
1e De onroerende goederen hiervoor onder letter A voorkomende voor de som van vijf duizend vijf honderd gulden f.5500,-. En daar zijn aandeel slechts bedraagt de som van vijftienhonderd drie en twintig gulden een en negentig cents 1523,91
Zo blijkt dat hij te veel ontvangt en dus zal moeten uitkeren de som van drieduizend negen honderd zes en zeventig gulden negen cent 3976,09
Welke uitkering aan de overige deelgenoten zal moeten worden gedaan.
Aan Janna en Bertus Kalter wordt hiermede in gemeenschap toebedeeld :
1e De roerende goederen hiervoren onder letter B voorkomende voor
de som van twee duizend drie honderd twaalf gulden vijftig cents 2312,50
2e De schuldvordering hiervoren onder letter C vermeld
ad vijf en twintig gulden 25,-
3e De schuldvordering hiervoren omschreven onder letter D
ad twintig gulden 20,-
4e De schuldvordering hiervoren onder letter E aangeduid
ad twintig gulden 20,-
5e Uit de uitkering hierboven vermeld door Gerrit Jan Kalter te doen
de som van zes honderd zeventig gulden twee en dertig cent 670,32
Makende zamen hunner aandelen ad drie duizend zeven en veertig gulden twee en tachtig cent 3047,82
Aan Johannes Kalter wordt hiermede toebedeeld :
1e Het door hem uit den boedel genoten hiervoren onder letter F vermeld
ad honderd gulden 100,-
2e Uit de uitkering door Gerrit Kalter hiervoren vermeld te doen de som
van veertien honderd drie en twintig gulden een en negentig cent 1423,91
Makende zamen zijn aandeel ad vijftien honderd drie en twintig gulden
een en negentig cent 1523,91
Aan Hendrikus Ophuis met zijne kinderen voornoemd Jan Hendrik, Johannes, Johanna, benevens de minderjarige Gradus en Maria Ophuis wordt hiermede voor ingelijke aandelen, uit de uitkering door Gerrit Jan Kalter hiervoren vermeld te doen, toebedeeld de som van vijf honderd zeven gulden en zeven en negentig cent 507,97.
Aan Gradus Wolbert wordt hiermede toebedeeld :
1e Het door hem uit de boedel genoten hiervoren onder G vermeld
ad honderd vijftig gulden 150,-
2e Uit de uitkering hiervoren door Gerrit Jan Kalter te doen de som van
drie honderd zeven en vijftig gulden zeven en negentig cent 357,97
Zo maakt zulks zamen zijn aandeel ad
vijf honderd zeven gulden zeven en negentig cent 507,97
Aan Hendrik Wolbert wordt hiermede ter voldoening van zijn aandeel uit de hiervoren vermeld door Gerit Jan Kalter te doen, toebedeeld de som van vijf honderd zeven gulden zeven en negentig cent 507,97
Aan Geertruida Wolbert met hare kinderen Hermannus, Jannes, Maria, Gerrit Jan, Johanna en Hendrika Kip wordt hiermede voor ingelijke aandelen, uit de uitkering hiervoren vermeld door Gerrit Jan Kalter gedaan, toebedeeld de som van vijf honderd zeven gulden zeven en negentig cent 507,97
De onroerende goederen waarvan partijen verklaren dat geen bewijzen van eigendom bestaan of bij hen bekend zijn en waarvan de overschrijving, ten kantore der hypotheken van zo veel hun bekend, niet heeft plaats gehad, worden hiermede toebedeeld en wederkerig onder vrijwaring als naar regten afgestaan zodanig als derselve gelegen zijn, de juiste maat inbegrepen, voorts al die lasten, heersende en lijdende erfdienstbaarheden als daartoe van ouds en met regt bekoment ; zullende de opkomsten en lasten der bij deze verdeelde goederen door ieder der deelgenoten, te rekenen van heden, worden genoten en gedragen.
Voorts verklaren de comparanten, ten gevolge dezer verdeling, ter zake van voorgeschreven gemeenschappelijke boedel, geene aanspraken meer op elkander te hebben of te reserveren en ieder het hem toebedeelde in bezit, ontvangen en overgenomen te hebben, daarvoor kwiterende bij deze.
En hebben comparanten, voor de nakoming dezer, ten kantore van mij Notaris, domicilie te hebben gekozen.
Waarvan Acte.
Gedaan en verleden te Oldenzaal ten stadhuize, den veertienden January achtien honderd zeven en zestig, in tegenwoordigheid van Lambertus Hendrikus Antoni Schoenmaker en van Franciscus Petrus de Poorter Candidaat notaris, beiden te Oldenzaal wonende als getuigen, die evenals de comparanten aan mij Notaris zijn bekend. En op de verklaring van Gerrit Jan Kalter, Jannes Kalter, Bertus Kalter, Gradus Wolbert, Hendrik Wolbert, Geertruida Wolbert en Maria Kip van hunne namen niet te kunnen tekenen, als in het schrijven geheel onervaren zijnde, hebben de overige comparanten, onmiddelijk na gedane voorlezing, met voornoemde getuigen en mij Notaris deze acte ondertekend.
H.Ophuis H.Kip de Poorter Palthe
J.H.Ophuis H.kip Ankone
J.Ophuis G.J.Kip Wijnbergen
J.Schreur
Geregistreerd te Enschede den zeventienden January 1800 zeven en zestig deel 44 folio 101 recto vak 5 vier bladen zonder renvooijen, ontvangen voor regt wegens overbedeling op het lot van Gerrit Jan Kalter á 4 o/o f.159,20 en wegens scheiding f2,40 te samen voor regt f.161,60 uitmakende met de 38 opcenten ad f.61,41 een bedrag van tweehonderd drie en twintig gulden een cent. De ontvanger.

Gerrit Jan (10-5-1824) eigenaar van Erve Wolbert
Gerrit Jan Kalter, alias Kalter op Wolbert, alias Wolbert, is dus eigenaar geworden van het erf Wolbert. De verdeling is correct en volgens de wet verlopen. Ieder heeft het deel gekregen waar hij of zij recht op had. Zo hoort ook een boedelscheiding plaats te vinden, tenzij er zwaarwichtige redenen zijn om het anders te doen.
De roerende goederen, uitstaande schulden en een geldelijke uitkering van Gerrit Jan, tezamen ƒ 3047,82 (twee kindsdelen) komen toe aan Johanna en Bertus, de ongetrouwde zus en broer die bij Gerrit Jan inwonen. Zoals blijkt uit de waardebepaling van het geheel is de schuld van Jan Kalter en Johanna Olde Hamsink uit 1828 ƒ 2000,- geheel afgelost. Gerrit Jan moet echter een behoorlijk bedrag uitbetalen aan de anderen en hij moet dan ook een hypotheek opnemen van ƒ 3000,-
Overigens moet worden opgemerkt dat er diverse foute data genoemd worden in de akte van notaris Wijnbergen. Waarschijnlijk is hij slecht voorgelicht door de familie, maar controle van de gegevens door hem was misschien nuttig geweest.
Het lijkt zo mooi, 43 jaar oud een eigen grote boerderij. Hij moet nog grote plannen hebben gehad. Echter ook hier geldt dat de mens wikt en God beschikt. Gerrit Jan wordt ziek begin 1871, dokter Koch uit Losser komt op bezoek en schrijft medicamenten voor. Ook dokter Essink uit Oldenzaal komt zijn krachten proberen. Beide sturen dikke nota's maar het baat niet, Gerrit Jan is ongeneeslijk ziek en hij roept notaris De Poorter uit Oldenzaal aan zijn ziekbed om op 27 april 1872 te laten noteren:
Voor mij Franciscus Petrus de Poorter, Notaris gevestigd te Oldenzaal, Arrondissement Almelo, Provincie Overijssel, in tegenwoordigheid der na te noemene getuigen compareerde:
Gerrit Jan Kalter landbouwer wonende op het Erve Wolbert
te Lemselo Gemeente Weerselo.
Welke comparant zakelijk aan mij Notaris heeft opgegeven
zijnen uitersten wil, in maniere als volgt;
Ik herroep hiermede alle uiterste wilsbeschikkingen voor de tegenwoordige door mij gemaakt.
Ik maak en legatere aan mijne bij mij inwonende zuster Janna Kalter, haar leven lang gedurende, het vrije gebruik en bewoning van de bovenkamer van het mij behorende huis, alsmede het vrije gebruik van een schepel bemest bouwland ten oosten op den Klaverkamp onder Lemselo Gemeente Weerselo.
Ik stel en institueer tot mijnen enige en algeheelen erfgenaam van alles wat ik zal komen na te laten, zonder enige uitzondering hoe ook genaamd, mijnen bij mij inwonende broeder Bertus Kalter onder verplichting van:
1e aan mijn zuster Janna Kalter genoemd, jaarlijks te verstrekken zoveel brandplaggen als zij voor haar gebruik nodig heeft en dagelijks een kop zoete melk, en een kop zure melk, voor haar jaarlijks te halen een voer turf en aan haar zal moeten uitkeeren de som van drie honderd gulden doch welke gelden binnen de eerste tien jaren niet kunnen worden opgenomen doch daarvan aan haar renten zullen moeten worden betaald ad drie en een half procent 's jaars.
2e aan mijnen bij mij inwonende neef Hermanus Kip uit te keeren de som van drie honderd vijftig gulden en als hij gaat huwen een behoorlijken uitzet waaronder de kast die in de kamer staat,
3e binnen een jaar na mijn overlijden uit te deelen aan de Armen de som van een honderd gulden en aan den tijdelijken Pastoor van Rossum Gemeente Weerselo de som van vier honderd gulden te voldoen voor missen tot rust en lavenis mijner ziel gedurende een jaar na mijn overlijden tot en met de eerste jaargetijde en tot plaatsing van mijn naam en die van mijn moeder Joannna Olde Hampsink op het zielboek
gedurende twintig jaar na mijn overlijden en
4e mijn halfbroeder Hendrik Wolbert gedurende zijn leven vrije inwoning en kost en drank te geven mits hij tot huizen beste medewerke.:
De bovenstaande uiterste wil vooraf, buiten tegenwoordigheid der getuigen, naar de opgave door de erflater aan mij Notaris gedaan, door mij Notaris gereed gemaakt zijnde, heeft de erflater alnu dien uiterste wil nader zakelijk aan mij Notaris opgegeven,na welke opgave die uiterste wil zoals ik denselven hiervoren in duidelijke bewoordingen heb geschreven door mij Notaris aan den erflater is voorgelezen en na die voorlezing door mij Notaris aan den erflater afgevraagd of het voorgelezene zijnen uitersten wil bevat hetgeen door den erflater toestemmend is beantwoord, hebbende gemelde nadere opgave, voorlezing, afvraging en antwoord plaats gehad in tegenwoordigheid der na te noemen getuigen
Waarvan acte
Gedaan en verleden te Lemselo Gemeente Weerselo ten woonhuize van erflater, den zeven en twintigsten April achtienhonderd twee en zeventig in tegenwoordigheid van Jannes Olde Stegge landbouwer wonende te Lemselo Gemeente Weerselo en van Gerardus ten Bokum senior, kuiper te Oldenzaal wonende, als getuigen die evenals de erflater aan mij Notaris zijn bekend. En op de verklaring van den erflater van zijne naam niet te kunnen teekenen als in het schrijven geheel onervaren zijnde, hebben voornoemde getuigen,onmiddelijk naar gedane voorlezing met mij Notaris den acte ondertekend.
J. Olde Stegge G. ten Bokum De Poorter, Notaris
Op 5 juni 1872 overlijdt Gerrit Jan Kalter, ongehuwd en slechts 48 jaar oud. Hij is een zorgzaam gelovig mens geweest die de mensen die hem na aan het hart lagen tot na zijn dood zekerheid van bestaan heeft willen geven.
De in het testament genoemde bij hem inwonende Herman Kip is de oudste zoon van halfzuster Geertrui, inmiddels weduwe van Gerard Kip. Deze Herman, evenals halfbroer Hendrik Jan, trouwt nooit en blijft als inwonend knecht op Wolbert.
Hendrik Jan overlijdt in 1878 en laat via een testament alles na aan zijn halfzuster Johanna.
Eigenaar van het Wolbert is nu Lambertus Kalter/Wolbert, ongehuwd, 45 jaar. Hij krijgt de kans het beter te doen, zie hoofdstuk 19.

Johanna Kalter op Wolbert ° 6-9-1821 † 3-8-1895
Als vroeger een boerenmeisje niet trouwde kwam ze niet meer in het nieuws, hoogstens als peettante van een neef of nicht. Zo is het ook met Johanna gegaan. Ze heeft heel haar leven op Wolbert geleefd en gewerkt, eerst in het grote gezin met haar broers, halfbroers en zusters, later als een boerin samen met de broers Gerrit Jan en Lambertus. Gerrit Jan heeft middels zijn testament gezorgd dat ze een zeker onderkomen en verzorging had op haar oude dag. Ze bleef bij Lambertus inwonen toen deze huwde en een gezin stichtte en ze heeft meegemaakt dat in 1878 op Wolbert weer een kind geboren werd. Dat was in ruim vijftig jaar niet meer gebeurd.

School? Nergens voor nodig!
Hoewel de lagere school in Lemselo al in 1827 bestond, hebben ze het bij Kalter op Wolbert niet nodig gevonden de kinderen er naar toe te laten gaan, met als gevolg dat geen van allen konden lezen of schrijven, zelfs hun eigen naam niet!

In welke tijd leefden Jan Kalter en Joanna Olde Hamsink?
Ze beleefden de opkomst en ondergang van Napoleon. Dat speelde zich weliswaar niet af in Lemselo, maar ze merkten er wel de gevolgen van. Voor hen werd bestuurlijk alles op zijn kop gezet, de marke met het markebestuur verdween, er kwamen gemeenten met burgemeester en ambtenaren, ze werden mondiger en kregen meer vrijheid. Nederland werd een koninkrijk en de tiendaagse veldtocht in 1831 tegen de zuidelijke Nederlanden liep uit op een fiasco. Ze hoorden dat er 'ijzeren paarden op ijzeren wegen' zouden komen, in het verre Holland waren ze er al.