Beste bezoeker, het is toegestaan dit verslag voor privé doeleinden te gebruiken.
Het is echter niet toegestaan dit verslag of delen daarvan te kopieëren, en op een andere internetsite
ter beschikking te stellen en/of openbaar te maken dmv druk, fotokopie zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van mij. Voor vragen, bijv. over links, kun je me altijd emailen.
Statestieken

De kleine Johannes (Frederik van Eeden)

Boekverslag 3 juni 1997. Gemaakt door Walter ter Maten, Son en Breugel.


Auteur: Frederik van Eeden
Titel: De kleine Johannes, Deel 1, 1885/1887.
Uitgeverij: A. Manteau n.v., Brussel, 1973.
Aantal pagina's: 151.

Ander werk:

Evaluatie:

Het boekje is een soort sprookje: "Ik zal U iets van de kleine Johannes vertellen. Het heeft veel van een sprookje, mijn verhaal, maar het is toch alles werkelijk zo gebeurd. Zodra gij het niet meer gelooft, moet gij niet verder lezen, want dan schrijf ik niet voor U."
Johannes is een klein jongetje dat in een oud huis woont met een grote tuin, vlak achter de duinen. Het duinlandschap wordt in het boek uitvoerig beschreven. Johannes heeft grote interesse in de natuur, bloemetjes, kleine beestjes en luchtpartijen. Geuren en licht spelen een belangrijke rol in zijn fantasie en zijn dromen. Speciaal de ondergaande zon maakt grote indruk op hem en komt bij hem over als een soort hemelpoort. Op één van zijn tochten maakt hij kennis met het elfje Windekind. Door hem komt hij in contact met diverse dieren en hoort hun verhalen. Elke diersoort vindt zichzelf het hoogste wat er is en wat hun soort kan is het belangrijkste wat een dier kan doen (de mens komt er niet best af in de rangorde). In dit gedrag zijn het net mensen. Windekind laat weten wel beter te weten, maar Johannes moet er maar niet te diep op in gaan. De mieren lijken nog het meest op mensen: zij hebben een sociale structuur en voeren onderling oorlogen met een soort godsdienstige rechtvaardiging. Windekind keurt dit af.
Toch komen er bij Johannes meer vragen. Hij wil ook een kabouter zien. Uiteindelijk gaan ze naar de allesweter Wistik. Dit is een oude wijze kabouter die zuinig is op zijn kennis. "Als ik teveel vertel, verlies ik m'n reputatie". Wistik heeft boeken met kennis op allerlei niveau en voor elk dier. Toch is er één boekje wat hij niet heeft, waarin staat waarom alles is zoals het is, zodat niemand iets meer kan vragen of verlangen. Windekind waarschuwt voor de verhalen van Wistik en zijn uitnodigende vragen. Meer kennis zal Johannes wel wijzer, maar niet gelukkiger maken. Johannes wil echter meer weten over het boekje. Hij is helemaal verkocht als hij hoort dat het boek in een gouden kistje ligt dat met een gouden sleuteltje van de elfen kan worden geopend door een mensenvriend. En Johannes had van de elfenkoning Oberon juist zo'n sleutel gekregen en begraven onder een duindoorn. Windekind verdwijnt dan spoorloos, Johannes in verwarring achterlatend.
Johannes gaat nu op zoek naar Windekind en het sleuteltje. Hij vertrekt zelfs van huis. Een winter wordt doorgebracht bij een tuindersfamilie in de hoop dat Windekind in de lente wel terug zal komen. In plaats daarvan ontmoet hij het iets oudere meisje Robinetta, waar hij net zo'n vertrouwensband mee krijgt als voorheen met Windekind. Hij vertelt haar alles. Zij denkt dat het boek de Bijbel moet zijn, maar als Johannes dat ontkent moet hij haar huis verlaten: haar vader vindt dat 'een belediging van de Bijbel'. (Een overtrokken reactie: Je merkt hier al dat Van Eeden een afkeer heeft van ingeburgerd kerkelijk gedrag]
Met de ontmoeting van Pluizer (een onaangenaam figuur) begint een periode van hard werken en rekenen, samen met Doctor Cijfer. Inderdaad: Johannes wordt wel wijzer, maar niet gelukkiger (precies zoals WIndekind al voorspelde). Daarnaast is Pluizer niet een echt inspirerende makker: hij laat vooral het doelloze zien van inspanningen en ijdelheid. Toch wil ook hij de al omvattende kennis vinden. Zelf doet hij niets, maar hij heeft macht over Johannes: keer op keer wordt Johannes gedwongen door te gaan.
De omgeving is vaak zwart, zeker in de fabrieken, maar ook in de arbeidersbuurten. Er is ziekte en men gaat op verschrikkelijke manieren dood. Gelukkig is de Dood mild (de ziekte wordt gezien als een schuld van God; de Dood discrimineert niet, ook niet tussen sociale klassen). Een enkele keer herinnert Johannes zich nog iets van vroeger, met name op een zwoele lentedag. Maar Pluizer zorgt er snel voor dat hij bij de les blijft.
Als Johannes' vader sterft nemen Pluizer en Doctor Cijfer Johannes mee naar zijn ouderlijk huis. Het is weer lente, maar het verwachtingsvolle gevoel wordt wreed teniet gedaan met de dood van zijn vader. Johannes voorkomt dat de beide anderen zijn vader wetenschappelijk gaan onderzoeken. De Dood keurt het gedrag van Johannes goed en zegt dat hij nu een mensenvriend moet worden. 'Het is een schoon ding, een goed mens te zijn'.
In het laatste hoofdstuk keert het geluksgevoel uit de eerste hoofdstukken weer terug. Johannes herkent de wenkende Windekind en volgt hem door het duinlandschap naar de zee, waar een lichtbaan naar het Grote Licht van de ondergaande zon leidt. Van de andere kant komt een Mens ('ik ben meer') over het water, met in zijn ogen eindeloze weemoed. Hij heet geen God of Jezus (bedoeld wordt het beeld dat de mens van God of Jezus heeft opgebouwd en krampachtig via de kerk in stand houdt), maar hij is herkenbaar 'als je je ogen hebt schoon geschreid'. Deze ernstige Mens blijkt een grotere aantrekkingskracht te hebben dan Windekind. Samen met hem gaat Johannes terug naar de grote, duistere stad.
Op het eind heeft Johannes eigenlijk al zijn oude vrienden verloren (zijn hond Presto, zijn vader, Windekind en Robinetta). Zijn tocht met de Mens is eigenlijk een sprong in het duister. Alleen vertrouwen kan hem daar verder helpen.

Opmerkingen:



Als je dit evaluatie-verhaal gebruikt stel ik het zeer op prijs als je dit even laat weten door middel van een emailtje.



Terug naar Boekverslagen-Homepage.