Ter Uwer informatie deel ik U mede, dat ik de schrijver en dichter Henri Bruning sedert een tiental jaren van nabij in zijn publicaties heb gevolgd, en ook tijdens de bezetting heb ik nog enkele malen schriftelijk en mondeling van gedachten met hem gewisseld, hoewel onze politieke overtuiging steeds scherper divergeerde.
Naar mijn inzicht is Henri Bruning een buitengewoon bekwaam en ernstig denker, die belangrijke origineele bijdragen heeft geleverd tot de Westeuropeese cultuurfilosofie. Zijn verzet tegen ontaarding der Christelijke samenleving en ontkerstening der levensbeschouwing, zoals hij die als radicaal Katholiek wilde construeeren, heeft hem via de Grootnederlandse beweging (later het Verdinaso) tenslotte in de NSB gebracht, waaruit zijn anticlericalisme en andere extreem-politieke opvattingen voortvloeiden.
Nog in 1943 heb ik van Henri Bruning de indruk gekregen, dat hij - min of meer uit een soort van loyaliteit en geestelijke discipline - in de NSB bleef ondanks ernstige bezwaren tegen handelwijze der leiding en tegen ontwikkelingsgang der beweging. Hij schreef mij toen dat hij "in het aangezicht van de ondergang niets anders kon blijven doen dan op de bres staan voor waarden, die hem de enige noodzakelijke leken om voor te blijven vechten." Dit sloeg op de oorlog tegen Rusland.
De strijd, die binnen de NSB (kringen van Storm, Misthoorn en andere publicaties) tegen hem gevoerd werd, is wel een bewijs van zijn poging, sommige beginselen scherp te blijven verdedigen. Dit was denkelijk ook de grond van zijn politieke isolatie.
Concludeerend, lijkt Bruning mij absoluut geen figuur om (uit preventie of repressie, laat staan uit vergelding) in verzekerde bewaring te houden, daar het innerlijke drama deze fijnzinnige man reeds meer gekweld en gelouterd moet hebben dan welke maatschappelijke ingreep ook.
Amsterdam
20 Februari 1947 (get) mr. A.Th. Mertens
2
HET GEVAL VAN HENRI BRUNING
Het geval van Henri Bruning toont wellicht duidelijker dan enig ander aan, voor welke problemen men komt te staan wanneer men sine ira et studio een oordeel wil uitspreken over hen die, zonder in de engere zin van het woord zich aan misdaden schuldig te hebben gemaakt, zich aan de zijde van het nationaal-socialisme hebben gesteld en dientengevolge als "vijanden van het volk" worden beschouwd.
De eerlijkheid en de oprechtheid van de overtuiging van Henri Bruning is voor wie zijn persoon en zijn werk kennen boven alle twijfel verheven. In een reeks van boeken en tijdschriftartikelen heeft hij uiting gegeven aan zijn onafhankelijkheidszin, die hem menigmalen in botsing heeft gebracht met zijn omgeving. Dat zelfs een zo markant anti-katholiek als Menno ter Braak sympathie en eerbied had voor deze tegenstander van katholieken huize is veelzeggend. Hetgeen Henri Bruning tijdens de bezetting heeft geschreven is de rechtstreekse voortzetting van hetgeen hij in de daaraan voorafgaande jaren geschreven had. Psychiaters en psychologen mogen uitmaken, welke motieven hem gedreven hebben tot het innemen van een positie, waardoor hij tenslotte tegenover de overgrote meerderheid van ons volk kwam te staan, maar ook zij zullen ongetwijfeld tot de conclusie komen dat het geen onedele drijfveren zijn, die hem daartoe geleid hebben.
Even vast staat, dat aan Bruning geen daden ten laste kunnen worden gelegd die voor hem oneervol zouden zijn. Hij heeft zich nimmer schuldig gemaakt aan een van die handelingen, die de nazi's tot een gevaar maken voor elke waarachtige samenleving. Hij is een van die vrij zeldzame, maar toch niet geheel uitzonderlijke gevallen die persoonlijk volkomen integer waren, maar zich niettemin aan de zijde stelden van een bewind, dat recht en menselijkheid met voeten trad.
Wat Bruning kan worden verweten is o.i. zijn volkomen gebrek aan politiek inzicht. Hij heeft niet ingezien waartoe het nationaal-socialisme moest leiden. Dit gebrek aan inzicht kan hem worden verweten en de consequenties daarvan zal hij moeten dragen. Het zou onjuist zijn om hem op een leidende plaats te stellen; ik meen dat hij het recht daartoe verbeurd heeft. Daarentegen zou ik niet de moed bezitten hem te veroordeelen op grond van zijn overtuiging alleen, noch op grond van hetgeen hij als gevolg van deze overtuiging heeft gemeend te moeten doen. Ik bedoel daarmede zijn werk aan het Departement van Volksvoorlichting en zijn medewerking aan nationaal-socialistische organen. Voor zover mij bekend is heeft hij daarin nimmer iets verricht of geschreven dat als "landverradelijk" of "volksverradelijk" kan worden beschouwd. Het lijkt mij ten enenmale onjuist en in strijd met elke waarachtige opvatting van democratie om iemand alleen op grond van zijn wereldbeschouwing te veroordelen, zelfs indien men, als in dit geval, die wereldbeschouwing een gevaar acht voor de samenleving. Zolang we niet de motieven kennen die aan een wereldbeschouwing ten grondslag liggen, kunnen wij die niet moreel veroordelen. De daden die er het gevolg van zijn kunnen we toetsen aan onze opvattingen van recht en moraal en ze op grond daarvan al of niet aanvaarden. In dit geval meen ik echter dat er van afkeurenswaardige daden geen sprake is.
(get) P.J. Meertens
Lid der redactie van "De Vlam"
Voor afschrift conform,
Mr. W. Vergnes
3
ZWOLLE, 18 October 1946.
Den Weled.Gestr.Heer Mr. W. Vergnes
P.C.Hooftstraat 43 2
AMSTERDAM Z
Weledel Gestrenge Heer,
Wat aangaat de overgang van Henri Bruning naar de N.S.B., meen ik het volgende te kunnen opmerken.
Een deel van het Verdinaso, waarvan ook Henri Bruning lid was, is indertijd overgegaan naar de N.S.B. Henri Bruning e.a. meenden dit te moeten doen, omdat volgens hen vast stond, dat Duitsland de oorlog zou winnen en alleen langs deze weg een voor Nederland dragelijke oplossing op politiek gebied bereikbaar zou zijn. Het isolement, waarin deze mensen door hun keuze geraakten, zal een van de redenen zijn geweest, waardoor zij de objectieve kijk verloren op de feitelijke verhoudingen.
Ik ben van mening, dat Henri Bruning handelde overeenkomstig zijn overtuiging en niet uit opportunisme.
Indien dit schrijven van nut kan zijn bij de juiste beoordeling van zijn gedragingen gedurende de bezetting, kunt U, als advocaat, ervan gebruik maken.
met oprechte hoogachting,
Dr.ir.F.Ph.A. Tellegen
(get) F.Ph.A. Tellegen
Kamperstraat 19
Zwolle
4
Verklaring betreffende Henri Bruning
Eijsden 21 Febr. 1947
Het is mijn stellige overtuiging dat de schrijver Henri Bruning, ook waar hij mocht hebben gefaald, door ideeele motieven werd gedreven. Dat hij, gelijk mij is medegedeeld, gedurende den geheelen oorlog bij zijn noodlottig inzicht heeft volhard, hangt m.i. met zijn egocentriciteit samen, voor een groot deel het gevolg van zijn sterk verminderde gehoorscherpte.
Het waarderend artikel, dat Bruning tijdens de bezetting over het letterkundig werk van S. Vestdijk heeft gepubliceerd, was naar mijn meening een bewuste poging om deze door de N.S.B.-ers sterk gehate figuur te sauveeren.
(get) N. Debrot
5
13 Augustus 1946
Burg. de Manlaan 20
Breda.
Zeer Geachte Heer Vergnes,
Daar ik het volkomen oneens ben met de levens- en wereldbeschouwing welke Henri Bruning uiteenzet en verdedigt in zijn brochure Nieuw Levensbewustzijn, heeft, dunkt mij, mijn meening over het geval Bruning wel eenige waarde.
Het denk-leven van Henri Bruning is een geestelijk drama. Men kan het vergelijken met dat van Nietzsche. Het is dus onmogelijk het geval van Henri Bruning rechtvaardig te beoordelen, wanneer men geen rekening houdt met de ontwikkeling van zijn inzicht en met het tragisch getourmenteerd temperament van deze dichter. Dat hij anti-Christelijk, anti-Katholiek is gaan denken, kan geen reden zijn om hem uit te stooten. Het lijkt mij ongerijmd om een man als dezen Nederlandschen litterator, die de problemen van den moderne tijd, met den inzet van heel zijn wezen heeft trachten op te lossen, gevangen te houden.
Bruning is nooit een glad en handig manoeuvreerend opportunist geweest. Henri Bruning is een karakter, en al mag dit, volgens mijn meening, scheefgegroeid zijn, het lijkt mij dringend noodig om hem terug te geven aan zijn gezin, zoodat hij, weer opgenomen in den kring van zijn vroegere vrienden, die hem waardeeren om zijn verbeten, hoewel misvormde eerlijkheid en zijn niet te ontkennen groot schrijverstalent, de gelegenheid krijgt, in vrijheid, het zuiver inzicht te herwinnen. Door de positieve waarde welke deze persoonlijkheid bezit, te elimineeren, verarmt men het intellectueele leven.
Mocht hij om een of andere reden, wegens daden bedreven tijdens de bezettingsjaren, straf verdiend hebben - om dit te beoordeelen ontbreken mij de gegevens - dan heeft hij die eventueele fouten toch reeds meer dan voldoende uitgeboet door de maandenlange interneering en de rampzalige gevolgen daarvan: als de ontwrichting van zijn groot gezin, en het leed zijn schuldlooze vrouw en kinderen aangedaan.
Mij beroepend op den laatsten machtigen brief van onze Bisschoppen en op de richtlijnen ter beoordeeling van de zoogenaamde lichte gevallen, gegeven door de minister van Justitie, hoop ik uit den grond van mijn hart, dat degeen die de zaak Bruning beoordeelen moet, begrip zal hebben en barmhartigheid voor dit uitzonderlijk geval.
t.t. in Xo.
Met beleefde groeten en hoogachtend
(get) Pieter van der Meer de Walcheren.
Voor afschrift conform,
Mr.W. VERGNES
6
's-Gravenhage, 5 Augustus 1946
Den Weledelgestr.Heer Mr. W. Vergnes,
P.C. Hooftstraat 43,
AMSTERDAM.Z.
WelEdelgestr. Heer,
Ter zake van Henri Bruning, voor wien U mijn oordeel hebt gevraagd, moet ik beginnen met te zeggen, dat ik hem slechts van enkele ontmoetingen en uit zijne geschriften ken.
De overheerschende indruk, die ik van hem heb gekregen, is wel deze: dat hij een man is van zeer diepgewortelde overtuigingen, bereid om voor deze overtuigingen te lijden en er zelfs alles tot zijn leven toe, voor te offeren.
Voor zover ik kan oordelen, is Bruning op dit punt steeds onevenwichtig geweest. Voor inzichten, welke hij zich door studie en nadenken verworven had, doch welke niettemin, objectief gezien, op z'n minst onzeker moeten worden genoemd, offerde hij belangen, juister gezegd: verplichtingen, o.m. jegens zijn gezin, welker nakoming en verzorging primair moeten worden geacht. Hij zelf zag dit echter anders.
Zo was zijne levenhouding reeds lang vóór dat hij met het nationaal-Socialisme in aanraking kwam. Dit is mij toen gebleken bij een gelegenheid, waarbij anderen stappen bij mij hebben gedaan, om hem ter wille van zijn gezin inkomsten te verschaffen.
Gezien deze geestelijke instelling van Bruning, was het niet te verwonderen, dat hij zich aan het nationaal-Socialisme gaf, toen hij tot de overtuiging was gekomen, dat van die beweging heil was te verwachten voor de met ondergang bedreigde Christenheid en Christen-volken. Hij beschouwde dit veeleer als een moeizame plicht dan als een aanlokkelijke handeling. Ook dit is mij uit een kort persoonlijk onderhoud gebleken, toen ik hem vroeg, of hij nog steeds met de N.S.B. sympathiseerde. Het antwoord kwam hierop neer: van sympathie is geen sprake; ik moet wel als consequentie van mijne overtuiging, dat er geen andere mogelijkheid is om nog te redden, wat te redden valt.
Bruning heeft dan ook zeker geen materieel voordeel gehad en zeker niet beoogd, als gevolg van zijne aansluiting bij de N.S.B.
Ik wil hiermede niet zeggen, dat ik Bruning een ongevaarlijk man acht. Integendeel: dergelijk diep-overtuigden van valsche doctrines of bewegingen zijn op den duur gevaarlijker dan de tukken op materieel gewin of de zwakke meelopers. Voor hen geldt, wat Mirabeau van Robespierre getuigde: Ce jeune homme ira loin: il croit ce qu'il dit!
Maar als persoonlijk karakter staat Bruning veel hooger dan verreweg de meesten uit het andere Kamp.
En wat zijn principiele gevaarlijkheid aangaat: onze rechtsorde laat nu eenmaal alle overtuigingen vrij en ook de propaganda daarvoor, mits ze zich beweegt binnen de grenzen der wet. Op dien grond laten we nu immers ook Communisten vrij propaganda maken voor hun beweging, welke voor de vrijheid zeker niet minder gevaarlijk is dan die, waarvoor Bruning zijn hart gaf.
Op dien grond kan en mag m.i. Bruning niet vastgehouden worden. Of hij als N.S.B.er binnen de bepalingen der wet valt, welke steun aan den vijand in oorlogstijd, met straf bedreigen, onttrekt zich aan mijne beoordeeling en competentie.
Hoogachtend,
Uw. dw.
(w.g.) M. van POLL
Voor afschrift conform
Mr.W. VERGNES.
7
Betreffende den gedetineerde HENRI BRUNING zij het ondergetekende vergund de volgende beschouwingen onder Uw aandacht te brengen:
Het behoeft geen betoog, dat ik de politieke gedragingen van den heer Bruning tijdens den duur der bezetting niet kan billijken. Wèl billijk is het echter, dat de aandacht wordt gevestigd op de factoren en omstandigheden, die een milder licht op deze handelwijze kunnen werpen.
Henri Bruning is een begaafd letterkundige, die als dichter en persoonlijkheid te voorschijn trad uit een bijzondere geestelijke constellatie, die eigen was aan de z.g. katholieke jongeren-beweging van een twintigtal jaren her. De groepeering, waarin Henri Bruning een rol speelde, was gekenmerkt door een religieus radicalisme, waarin figuren als de Fransche schrijver Léon Bloy en Nederlandsche Pieter van der Meer de Walcheren de groote inspiratieve kracht en mannen als Gerard Bruning (de broer van Henri) en Pater van Sante belangrijke bijdragen leverden. Deze constellatie heeft de van nature zwaarmoedige en tot een wereldverwerpend radicalisme geneigde persoonlijkheid van Henri Bruning mede sterk bepaald. Bruning werd, op het voetspoor van Léon Bloy en Gerard Bruning, de aanhanger van een "Verworpen Christendom" (aldus de titel van een zijner bekendste boeken), d.w.z. een Christendom, dat enkel een geestelijk rijk diende te zijn en zich verre diende te houden van bemoeienis met de dingen der wereld. Deze radicaal doorgevoerde these bracht Bruning vanzelfsprekend in conflict met de traditie en practijken van de Katholieke Kerk in zijn vaderland, waarvan hij met den oppositiegeest, het protesteerend karakter van diepen religieuzen ernst deel uitmaakte. Dit conflict tusschen ascetisch, principieel-armoedig, wereldvreemd Christendom -- de vorm van Brunings godsdienstigheid -- en het wereld-aanvaardend katholicisme van zijn land, heeft de politieke spanningen teweeggebracht, die het nationaal-socialisme van hem voorbereidden. Gekant tegen de beïnvloeding van het wereldsche leven door de Kerk, zijdelings ook op politiek terrein, is Bruning ertoe gekomen, om zijn politieke belangstelling zuiver natuurlijk en aardsch te oriënteeren. En dan openbaart zich het proces, dat onvermijdelijk is en zich in de historie steeds weer herhaalt (men denke bv. aan de ontwikkeling van het spiritualisme in de middeleeuwen, en breeder het nominalisme, waar het geloof in het aardsche zich steeds eigenmachtiger ontwikkelde door de steeds verdergaande vergeestelijking van het godsdienstige; men denke ook aan Luther): het religieuze wordt steeds verder teruggedrongen binnen nauwe aardsche grenzen, waardoor uit reactie het aardsche steeds meer autonoom wordt.
Dit is in concreto het geval bij Bruning, die uit volle overtuiging het Verworpen Christendom wilde ontdoen van alle aardsche ambities, maar daarmede voorbereidde een aardsch rijk, dat al deze aardsche ambities moest bevredigen. De Kerk werd een Kerk van heiligen, het aardsche rijk een natuurlijke gemeenschap van louter nationaal karakter, en van nature -- want de Godsdienst verloor in de practijk de zeggingsmacht over normen -- totalitair van aanleg.
Er mag hier nog gewezen worden op den invloed van de geschriften van Friedrich Nietzsche, die met pseudo-religieuze bezieling op een aardsch ideaal de vitaliteit richtte. Terwijl aan den eenen kant Bruning met onmiskenbare oprechtheid en diepe zwaarmoedigheid op nobele wijze religieuze thema's in zijn letterkundig werk behandelde, evolueerde hij op politiek gebied naar het totalitair systeem, uiteindelijk het nationaal-socialisme.
Ik heb met deze uiteenzetting alleen te kennen willen geven, dat hier sprake was van een volstrekt eerlijk idealisme (van baatzucht kan Bruning niet worden verdacht, hij heeft zich allerminst verrijkt), en van een ontsporing, die voor een belangrijk deel te wijten is aan een voor zich zelf moeilijke, tragische, zwaarmoedige (zelfs wat tobberige) persoonlijkheid, aan geestelijke factoren als boven geschetst, en aan een onvermijdelijk proces, dat uit deze constellatie te voorschijn trad. Boven verdenking staat voor mij -- die wel allerminst de politieke gedragingen kon billijken -- de idealistische gezindheid der motieven, waardoor Bruning tot deze afdwalingen kwam.
(get) Bernard Verhoeven
8
Henri Bruning
Van zijn eerste geschriften af heeft de dichter Henri Bruning zich doen kennen als een man, die met de daagelijksche condities van het maatschappelijk leven moeilijk genoegen kon nemen en zich hieruit een vluchtoord zocht in droomen van persoonlijke grootheid. Omtrent zijn aard als dichter is door zijn vriend, tijdens den oorlog zijn medestander Gerard Wijdeveld, terecht opgemerkt, dat hij "ertoe meer geneigd is, zich uit te spreken, dan vorm te scheppen." Dit zal wel een der redenen zijn, waarom hij met zijn dichtbundels "De Sirkel" 1924, "De Tocht" 1925, "Het Verbond" 1931, "Fuga" 1937, bij het katholieke publiek waarop hij allereerst was aangewezen, niet het succes bereikte waarop hij meenen kon recht te hebben. Een rustig beoordelaar, buitenstaander der toenmalige groeperingen, de heer M.G.H. Deen, kenschetste in September 1931 het talent van Henri Bruning als dichter, met de volgende woorden:
"Ernst waar we niet aan gaan twijfelen, wat exhibitie van zichzelf, wat zelfvergrooting en een tikje gewichtig-doen, een onbeholpenheid, die het weinigje vastheid van vorm en samenstelling tenslotte toch baldadig vernielen". (Maasbode)
Bruning heeft deze opvatting, die vrij algemeen was, blijkbaar als onrechtvaardig beschouwd en hierop tamelijk scherp gereageerd door in verzet te komen tegen misbruiken en wantoestanden, welke hij waarnam in de Nederlandsche katholieke samenleving. Zijn opstellen "Onze Priesters" 1933, "Tegen den hoogmoed der werken" 1933, "Het Zwaard" 1934, staan vol verwijten aan de katholieke gezagsdragers en geven blijk van een verlangen naar een vuriger samenlevingsvorm dan Bruning in zijn toenmalige omgeving aantrof. Gematigde belangstelling voor zijn werk kon hem nooit bevredigen. "Ik houd niet van schouderklopjes en zoo mogelijk nog minder van dat pianospel op mijn schouders" schreef hij op blz. 169 van zijn "Subjectieve Normen" 1936. Deze uitdrukking teekent zijn afkeer van alle goed bedoelde aanmoediging, die geen onvoorwaardelijke bewondering is. In "Verworpen Christendom" 1938, verwijt hij aan de hedendaagsche geloovigen, dat zij alle grootheid en kracht van bezieling ontberen.
Het behoeft dus niet te verwonderen, dat Henri Bruning, misleid door de beloften van grootheid in het nationaal-socialisme, zich geleidelijk vervreemdde van de omgeving zijner jeugd om zich aan te sluiten, eerst bij het Verdinaso van Joris van Severen, vervolgens bij de N.S.B. Reeds in 1940 schreef hij "Een Hard en Ernstig Woord tot Mr. Linthorst Homan, Het Nederlandsche Volk en de Rechtsche Fronten", waaruit eenerzijds blijkt, dat hij geheel onkundig is van de politieke practijk, doch anderzijds, dat hij niet door baatzucht of lagere motieven werd bewogen.
Op blz. 35 van dit boekje spreekt hij bijvoorbeeld zijn afkeuring uit, over het "onwaardig kwetsend antisemitisme". Wie dit vlugschrift leest, zal inzien, dat de schrijver uitsluitend door verlangens naar grootheid geinspireerd is.
Als N.S.B.-er en departementsambtenaar heeft Bruning niet zijn eigen voordeel gezocht, noch ook de stem zijner meesters hersenloos nagepraat. Hij is voor zichzelf en anderen een moeilijke man gebleven, ongetwijfeld door grootheidswaan misleid, maar afkerig van kleine verraders-practijken. Merkwaardig is, dat hij in 1944 onder den titel "Gelaat der Dichters" een bloemlezing uit de N.S.B.-poezie uitgaf, waarin hij zegt, niet te hebben gestreefd naar volledigheid, doch een indruk te willen geven van het bereikte niveau. Welnu, zondert men George Kettman uit, dan bestaat er geen N.S.B.-dichter, van wien in dit boek méér verzen werden opgenomen dan... Henri Bruning zelf.
Aldus komt hij er rond voor uit, zichzelf als een der allerbesten te beschouwen, die het hoogste niveau bereikten, terwijl b.v. de dichter Martin Beversluis geheel ontbreekt, blijkbaar omdat diens niveau niet hoog genoeg was.
Zulk een merkwaardige zelfvergrooting mag men tot aan abnormaliteit grenzende, onevenwichtigheid noemen, doch zij verklaart de zielkundige gronden van Brunings houding tijdens den oorlog. Geen verstandig mensch zal deze houding bewonderen of goedkeuren, doch komt het erop aan, haar te begrijpen, dan kan men het geval Bruning zeker niet afdoen met algemene beschuldigingen. Hij heeft bij de N.S.B. gezocht naar een klankbodem voor zijn behoefte aan zelf-uitdrukking, omdat hij geloofde, elders zulk een klankbodem niet te kunnen vinden, wijl daar onvoldoende aandacht was voor het verlangen naar persoonlijke grootheid. Dit is zijnerzijds een ernstige vergissing geweest. Doch als een zware schuld kan het hem, gegeven zijn zonderlinge geestelijke constitutie, bezwaarlijk worden aangerekend.
(w.g.)Anton van Duinkerken
Voor Afschrift conform
(w.g.) Mr. W. Vergnes.