Criteria volgens Gillberg
Hieronder volgen de classificatiecriteria voor het Asperger
Syndroom, zoals gebruikt door Gillberg & Gillberg (1989), en
nader gespecificeerd in Gillberg (1991):
Een belangrijke handicap op het gebied van wederzijdse sociale
interactie, zoals blijkt uit minstens twee van de
volgende:
- een onvermogen om met leeftijdgenoten te spelen of om te
gaan
- een gebrek aan normale behoefte om met leeftijdgenoten te
zijn
- gebrek aan gevoeligheid voor sociale signalen, resulterende
in
- vreemd, sociaal of emotioneel onaangepast gedrag, meestal door
anderen gezien als "koud", "stijf", "bot of onvolwassen", "extreem
egocentrisch", of "overdreven geacteerd gedrag" (zoals in hele
oude films).
Een allesomvattende nauwe interesse, bijvoorbeeld Griekse
mythologie, meteorologie, astronomie, welke interessen overigens door
de jaren heen wel mogen verschuiven, maar opvallend blijven, zoals
blijkt uit minstens één van de volgende:
- uitsluiting van andere activiteiten
- steeds dezelfde activiteiten herhalen
- meer de dingen uit het hoofd kennen, dan de betekenis ervan
doorzien
Het opdringen van routines en interesses, minstens een van de
volgende:
- aan zichzelf, met betrekking tot het leven van alledag,
- aan anderen
Spraak- en taalproblemen, minstens drie van de volgende:
- vertraagde taalontwikkeling, vergeleken met de te verwachten
ontwikkeling in relatie tot zijn sociale achtergrond;
- oppervlakkig perfecte expressieve taal
- formele, pedante taal,
- vreemd stemgebruik, vaak staccato of monotoon.
- gebrek aan begrip van de inhoud, met verwarring van
figuurlijke/letterlijke betekenis.
Non-verbale communicatieproblemen, blijkende uit minstens een van
de volgende:
- miniem gebruik van gebaren
- onhandigheid van lichaamstaal
- weinig gebruik van de gelaatsuitdrukking
- gelaatsexpressies die niet horen bij de situatie
- een opvallend, starende blik
Een motorische onhandigheid, zoals naar voren komt uit
ontwikkelingsneurologisch onderzoek.
De Gillberg criteria doen expliciet geen uitspraak over het
IQ.
Gillberg & Gillberg (1989) schatten dat ongeveer 1 a 2% van de
kinderen met een mentale handicap lijden aan het Asperger Syndroom en
dat het per 10000 normaal intelligente kinderen ongeveer 10 a 26 keer
voorkomt (0.1 tot 0.3%).
author: J.H. Jessurun
http://www.IAEhv.nl/users/jhjess/gil_crit.htm
version: 1.00
last revised: 10 April 1998
e-mail: jhjess@adear.IAEhv.nl