Nieuw Zeelandse regen
Christchurch - Banks Peninsula / Akaroa - Westport / Cape Foulwind - Paparoa NP - Hokitika
Klik op een foto om te vergroten. Toelichting verschijnt dan in de titelbalk. Deze bladzijden tonen maar een kleine selectie van de 250 Nieuw Zeeland foto's. Bestel de CD om alle 250 foto's schermvullend (800 x 600 pixels) te bekijken! Tevens op de CD: diashows met authentieke muziek en het complete interactieve verhaal, ook geschikt om te printen.
Onze
eerste twee dagen in Christchurch op het zuidelijke eiland van Nieuw Zeeland
regent het veel. Volgens de locals is het weer de afgelopen zes weken enorm
slecht geweest en we kunnen alleen maar hopen dat het beter wordt. Jac is teleurgesteld
over het weer en ik vertel hem dat het sowieso regelmatig regent in Nieuw Zeeland.
Hij leest echter in de tourist guide, van hotelwege verstrekt, dat Christchurch
gemiddeld 8 uur zon per dag heeft in januari. Dat betekent dat we vanaf nu een
enorme hoeveelheid zon zouden moeten hebben om deze januari het gemiddelde te
halen, zegt Jac hoopvol.
Christchurch
doet aan een Engels stadje denken. De huizen buiten het centrum hebben grote
tuinen vol bloemen. De rivier de Avon kronkelt door de stad en als we rond wandelen
komen we de rivier op onverwachte plaatsen tegen. Grote groene treurwilgen sieren
beide oevers van de rivier, regendruppels vallen van de lange takken in het
rustig stromende water. Op de rivier wordt gepunterd, je kunt een boot huren
en terwijl je rustig achteroverleunt je voort laten duwen door een sfeervol
geklede punterman. Niet zo leuk echter als het regent. De mensen hier zijn vriendelijk
en relaxed, net als in Australië. Verder is Nieuw Zeeland eigenlijk geheel
anders dan Australië. Om de één of andere reden had ik meer
overeenkomsten verwacht, wellicht omdat je in Nederland denkt dat Nieuw Zeeland
vlak bij Australië ligt, maar vanuit Sydney, het dichtstbijzijnde punt,
is het altijd nog drie uur vliegen. Het licht in Australië heeft een diepgele
of een tikje rode tint, hier in Nieuw Zeeland neigt het licht naar blauw. De
bomen en planten zijn zeer groen (verdacht groen volgens Jac, wijst op veel
regen). Kleine rode trams rijden door de stad, een grote kathedraal prijkt in
het midden en naast de botanische tuinen is het Canterbury Museum.
Het Canterbury Museum is een interessant museum over de Maori
– het van origine Polynesische volk dat hier woont, hun jacht op de nu uitgestorven
Moa’s en de invasie
van
de West Europeanen aan het einde van de 18de eeuw. De Moa, enorme struisvogelachtige
beesten met korte poten, werden door de Maori gegeten. De Maori gebruikten verder
de beenderen om gereedschappen van te maken en de grote eierschalen om water
in te vervoeren. De Moa’s waren gemakkelijk te vangen aangezien ze totaal niet
bang waren voor mensen, ze hadden nooit eerder natuurlijke vijanden gehad. Toen
de vogels uitgestorven waren legden de Maori zich toe op landbouw en veeteelt.
Tussen de verschillende stammen laaiden oorlogen op. Het museum toont prachtig
houtsnijwerk, de uitgesneden figuren stellen voorvaderen voor. Steun- en sierbalken
vol houtsnijwerk kan je overal in ontmoetingshuizen van Maori zien, Whakairo
genaamd of vaker Marae, in feite het grasveld voor het ontmoetingshuis.
De
Canterbury Plains ten noorden van Christchurch is geheel vlak, maar naar het
zuiden liggen de Port Hills. We nemen de gondel naar de top van de heuvels.
Gelukkig is het gestopt met regenen en nu en dan schijnt de zon tussen de wolken
door. We zijn stomverbaasd als we uit de gondel stappen en rond ons kijken.
Naar het noorden zien we Christchurch en de saaie vlaktes, maar in het noordwesten
is de zuidelijke oceaan verrassend dichtbij. In het zuiden zien we een grote
krater met een meer in het midden (het meer staat in verbinding met de oceaan)
en het dorpje Lyttelton tussen het meer en de heuvels. Het uitzicht doet surreëel
aan. De merkwaardig abrupt afgeronde vormen van de krater, het lichte groen
van het gras op de heuvels doorspikkeld met grijze rotsen, de brede witte wolken
in de lucht en het stralende blauw van het meer geven de illusie dat we bij
het uitstappen uit de gondel op een andere planeet terecht gekomen zijn.
We volgen het ‘Bridal Pad’ bergafwaarts naar Lyttelton. De
afdaling is steil en we zijn blij dat we
niet
terug hoeven te lopen, maar in Lyttelton de bus terug naar Christchurch kunnen
nemen. Vele immigranten kwamen vroeger in Lyttelton aan op weg naar het beloofde
land. Zij hadden geen keus en moesten het ‘Bridal Pad’ naar Christchurch nemen.
Dit moet een zeer vermoeiende tocht geweest zijn, een smal pad dat sterk klimt,
alles wat je mee wou nemen moest je op je rug dragen of op een smalle handkar.
In het Canterbury Museum zag ik een advertentie daterend uit het einde van de
19de eeuw, bestaand uit twee ingekleurde tekeningen. De ene tekening toont de
sociale positie van een naaister in Engeland: de vrouw, in afgedragen kleren,
hard aan het werk, maakt zich zo klein als mogelijk voor de rijke man, die op
haar neerkijkt. De andere tekening toont dezelfde vrouw in Nieuw Zeeland: nette
kleren, klein kind op haar schoot, rechtop zittend kijkt ze gelukkig naar de
liefhebbende echtgenoot naast haar.
Zoals
alle reclame was de realiteit net even anders. Als de immigranten uiteindelijk
de top van de krater heuvels bereikten en een eerste blik konden werpen op het
beloofde land, zagen ze een eindeloos moeras, grote wolken in een lage grijze
hemel en geen stad, maar alleen een zootje houten gebouwen en tenten. De eerste
winter was voor iedere immigrant zeer moeilijk. Sommige immigranten waren hier
zelfs aangekomen in de overtuiging dat Nieuw Zeeland een tropisch paradijs was
en waren totaal onvoorbereid op de onverbiddelijke winter (‘en nu is het nog
zomer’ zucht Jac, die zich ook een beetje verkeerd voorgelicht voelt).
Lyttelton
is een charmant plaatsje, een heel simpel vissersdorpje met kleine huisjes gebouwd
tegen de steile helling. Ondanks de hoogteverschillen heeft ieder huis een schattig
tuintje vol bloemen. Van overal zie je de haven, die gelukkig voor Jac een echte
haven is vol vissersschepen, hijskranen, containers en maar een enkele toeristenboot.
We drinken een groot glas bier op een klein terras, vanwaar we een wijds uitzicht
hebben over de haven. De zon is warm en het regenachtige Christchurch lijkt
ver weg.
De volgende dag vertrekken we uit Christchurch en vanwege onze
goede ervaring in Lyttelton
bezoeken
we het Banks schiereiland ten zuidwesten van Christchurch voordat we op weg
gaan naar het westen van het eiland, waar het veel regent volgens onze Lonely
Planet. Het Banks schiereiland bestaat uit twee vulkanische kraters, één
van de twee is de krater rond Lyttelton die we gisteren bezocht hebben. We volgen
de smalle weg over de heuvels en hebben een prachtig uitzicht op de Lyttelton
krater met de haven, vervolgens op diverse meren en tenslotte op de tweede krater
die Akaroa haven omvat. We vinden een camping vanwaar we fantastisch zicht hebben
over Akaroa, de heuvels en de haven. Het weer is prima en we zitten tot laat
in de avond buiten en zien de zon ondergaan achter de heuvels aan de andere
kant van de krater.
Akaroa
is een charmant plaatsje met veel oude koloniale huizen, mooi gerestaureerd
en in vrolijke kleuren opgeschilderd. We kopen een gids van het plaatsje en
bekijken de huizen. In een park dicht bij het centrum zijn vele oldtimers bij
elkaar gekomen. De eigenaars nemen elkaar mee op kleine ritjes. Een grappig
gezicht, al deze oude auto’s die rondrijden in het ouderwetse plaatsje. Nieuw
Zeelanders praten graag en zijn heel hartelijk, maar in feite is iedereen zeer
op zichzelf. Als je in Nieuw Zeeland wilt gaan wonen en je houdt niet van vissen
en hebt niet een eigen boot, dan is je enige alternatief interesse in Engelse
oldtimers, liefst je eigen oldtimer hebben om te restaureren en mee te paraderen.
’s Avonds vinden we een Italiaans restaurantjr dicht bij de haven, waar ik eindelijk
pasta met blauwe kaas kan bestellen. Blauwe kaas en in feite alle soorten kaas
zijn niet populair in Australië en Nieuw Zeeland en na meer dan zes weken
begin ik mijn gorgonzola pizza erg te missen! Maar deze pasta met blauwe kaas
en pompoen is prima, de restaurant eigenaar is zeer attent (een beetje tè
naar de mening van Jac) en de locale wijn, geteeld en gebotteld aan de andere
kant van de haven, heeft een aangenaam zware smaak met fruitige tinten. De gezellige
openhaard verdrijft de kilte van de koude wind die op is komen zetten na zonsondergang.
De volgende
morgen regent het weer. We breken onze kletsnatte tent op en rijden van de oost-
naar de westkust. Het blijft maar regenen en zodoende zien we niet veel van
de bergen waar we doorrijden, de Lewis Pas en de hoge wanden van Buller Gorge.
In Westport, een kleine plaats in het noorden van de westkust, vinden we probleemloos
een camping. Het gras ligt echter vol modder met hier en daar een grote plas
water. Gelukkig zijn er nog kleine cabins te huur, goedkoop en een prima alternatief
voor het opzetten van de tent in de regen en de modder. We balen nogal van het
weer maar als we de volgende ochtend wakker worden schijnt de zon en is het
vochtig warm.
We rijden naar Cape Foulwind, die zich westwaarts uitstrekt
in de Tasmaanse zee. Het
weer
kan hier tamelijk vreselijk zijn zoals je al afleidde uit de naam, maar momenteel
is het warm en staat er weinig wind. Boven zee hangt een dunne laag mist waarvan
je de vochtigheid kan voelen. De kust is groen, vol palmbomen, allerlei soorten
varens en kleurrijk bloeiende
planten. We gaan op zoek naar de Nieuw Zeelandse zeehonden die hier een kolonie
zouden moeten hebben volgens onze Lonely Planet gids, en inderdaad, een bordje
wijst ons naar een platform vanwaar we uitzicht hebben over de ruwe zee. Een
grote rots rijst op uit de zee, ieder min of meer vlak stukje van de gelaagde
rots is bezet door zeehonden. Ik zie ze goed maar kan ze ook horen, ze blaffen
luid om hun eigen territorium tegen indringers te verdedigen. Alhoewel het niet
hard waait, is de branding op dit punt zeer heftig en we maken ons zorgen dat
de zeehonden zich aan de scherpe stenen zullen verwonden als ze door een grote
golf op de rotsen geworpen worden. Zeehonden verdwijnen tientallen secondes
onder water maar
dan zie je opeens een staart uitsteken boven het schuim, even later gevolgd
door een kopje, de zeehond draait zichzelf tevreden op zijn rug en laat zich
nog wat verder uitdrijven. ‘Pas op voor die rots!’ wil ik roepen maar zonder
de rots een blik waardig te keuren brengt de zeehond zichzelf met een kleine
beweging van zijn vin in veiligheid. Nu en dan wordt de branding zo hoog opgestuwd
dat een enorme golf de hele rots overspoelt. De zeehonden zijn duidelijk in
hun element en ik begin medelijden te krijgen met hun soortgenoten, opgesloten
in dierentuinen, die al zeer blij mogen zijn met hun ‘natuurlijke’ onderkomen
in de vorm van een ondiepe vijver compleet met steen.
We rijden door naar het zuiden en bezoeken Paparoa National
Park. Afgezien van de vele
soorten
bomen en een soort tropische jungle kan het park zich beroemen op de ‘Pancake
Rocks’, pannenkoeken rotsen. De naam is goed gekozen, de rotsen lijken een beetje
op de gelaagde rotsen die we bij Cape Foulwid zagen, maar deze rotsen zijn nog
veel sterker gelaagd, ze zijn ook een beetje rond waardoor ze inderdaad net
op stapeltjes pannenkoeken lijken. Het is benauwd warm en we zien grote donkere
wolken samenpakken boven zee. Natuurlijk, het goede weer is van korte duur.
De donkere wolken, glinsterende zee, de rotsen verlicht
door
de laatste banen zonlicht, bieden gelegenheid voor prachtige foto’s. Dan komen
de eerste dikke druppels naar beneden zetten, in de verte rommelt de donder.
We vestigen een persoonlijk record op de 500 meter op weg naar het dichtstbijzijnde
beschutte terras. Het is niet koud en van het terras af kijken we naar de heftig
neerplenzende regen. We hopen dat het een kort buitje zal zijn, maar het zal
pas laat in de avond stoppen met regenen. We rennen naar onze auto en rijden
verder door naar het zuiden naar Hokitika – even wennen aan de Maori namen,
locals noemen het plaatsje liefkozend ‘Hoki’. Op een uitgestorven camping waar
enkele caravans in de modder lijken te drijven huren we weer een cabin. We hebben
nu al meer dan genoeg van de
Nieuw Zeelandse regen en ik deel Jac mee dat het de hoogste tijd wordt te stoppen
met zijn in Mexico tot volle ontplooiing gekomen regengod trucks.
Klik
steeds op de pijl om door te reizen:
Terug naar Virtual Traveling home