De wonderen zijn de wereld nog niet uit. Een oude uitdrukking. De wonderen zijn inderdaad de wereld nog niet uit. Nog steeds zijn er wonderen in de wereld waarvoor we met verbazing stilstaan. En hoe goed en hoe lang we ze ook bestuderen, het fijne kunnen we maar niet ontdekken. De schatten die Egypte ons gegeven heeft bijvoorbeeld.
Wie naar Egypte reist, maakt kennis met een van de meest fascinerende culturen die de mesnheid ooit heeft gekend. De duizenden jaren oude tempels, die de tand des tijds hebben doorstaan, stemmen tot nadenken. De piramides in Giza, huizen van eeuwigheid, zo hoog dat ze bijna de hemel raken, gaan hand in hand met de skyline van het moderne Cairo.
De farao's leefden als Goden op aarde. Van die leefstijl is nog maar weinig terug te vinden in het moderne Egypte. De altijd vriendelijke en goedlachse mensen zijn net als ieder ander volk op deze aardbol op zoek naar liefde, geborgenheid en genegenheid. Dat was een van de meest opvallende dingen die ik ontdekte tijdens mijn reizen naar Egypte. Omdat ik alleen reisde - mijn familie en vrienden hebben me meermalen voor gek verklaard... wat moet immers een blonde vrouw met blauwe ogen alleen in zo'n land... het was volgens hen vragen om moeilijkheden - kon ik gemakkelijker in het hedendaagse Egyptische leven duiken en een brug slaan tussen de twee verschillende culturen. Onze eigen Nederlandse nuchterheid en de hartelijkheid van Egypte: het land dat altijd lacht...
Onderstaand een paar voorbeelden van de korte verhalen die ontstaan zijn naar aanleiding van mijn reizen. In totaal heb ik zeventien van deze verhalen geschreven tot nu toe. Uitgevers die geïnteresseerd zijn om deze verhalen te publiceren of mijn boek uit te brengen, kunnen contact met mij opnemen via e-mail.
Zomaar een ontmoeting...
Cairo. Zondagochtend half negen. Het is december. De ochtendmist, die in een haast ondoordringbare nevel over de stad hangt, maakt plaats voor het leven van alledag. De ochtendspits zorgt ervoor dat een ander soort mist zich als een dikke, verstikkende deken over de stad legt. Zelfs zo vroeg in de morgen zijn de uitlaatgassen van de - veelal oude en grote hoeveelheden olie verbruikende - auto’s duidelijk te ruiken. Langzaam kruipt de zon aan de hemel omhoog en probeert zich een baan door de uitlaatgassen van de auto’s heen te graven. Hier en daar lukt dat en krijgt de overvolle weg een vriendelijke aanblik. Er verschijnt een glimlach op mijn gezicht en ik rek me nog een keer uit. Ja, dit is Cairo ten voeten uit. Ik voel me hier thuis.
Het verkeer in Cairo is een verhaal apart. Het is te vergelijken met de drukte van Parijs, Rome en Athene tegelijk, aangevuld met karren voortgetrokken door ezels, wrakken die achter zijn gelaten en fietsers en voetgangers die zich een weg banen tussen de auto’s door. In Egypte geldt slechts één regel in het verkeer, namelijk dat er geen regels zijn. Als de verkeerslichten op rood staan, jakkert alles gewoon verder. Als het groen is ook. Tweebaanswegen veranderen in de ochtendspits in een mum van tijd in een wirwar van voertuigen die vier rijen dik kriskras door elkaar op hun plaats van bestemming proberen te komen. Iedere chauffeur vertrouwt op Allah en zijn claxon, een onderdeel dat in elke auto, hoe oud en armetierig ook, goed functioneert. De vele politieagenten in de stad proberen het verkeer nog enigszins in goede banen te leiden. Ze gebaren druk met hun armen, terwijl hun fluitje het geluid van het verkeer probeert te overstemmen. De wanhoop straalt van hun gezichten. Zij weten immers ook wel dat zelfs wanneer ze een hele symfonie bij elkaar zouden fluiten, het nog weinig uit zal halen. Van ezels wordt gezegd dat ze koppig zijn, maar automobilisten doen daar niet voor onder.
Uiteraard botst er wel eens wat in het drukke verkeer. Elke auto in de Egyptische hoofdstad heeft wel ergens een deukje of een schrammetje. Toch is het opvallend hoe weinig auto-ongelukken met lichamelijk letsel er gebeuren. Wanneer er alleen een lichte blikschade is, gaat het er redelijk relaxed aan toe. Nadat de brokkenpiloten luidkeels en druk met hun armen gebarend hun ongenoegen kenbaar hebben gemaakt, stappen ze weer in en rijden door. Wanneer het dusdanig heeft geknald dat de bolide niet meer verder kan ontstaat een probleem. Het verkeer in Cairo is zo druk dat het eeuwig duurt voordat de takelwagen er is. Omdat de chauffeur daar niet op wil wachten, wordt de zwaar gehavende auto in veel gevallen gewoon achtergelaten, wat er voor zorgt dat er een enorme chaos op de weg ontstaat.
Ik heb wel eens gehoord dat je vroeg in de ochtend de vogels in Cairo zou moeten kunnen horen zingen. Het enige vogelgekwetter dat ik vanochtend hoor, komt uit een open raam van een huis. De siervogel, die opgesloten zit in zijn gouden kooitje, tracht met een veeltonig deuntje de dag op te vrolijken. Enkele rode en grijze gevlekte zwerfkatten vergapen zich op het stoepje voor het open raam. Ze zouden graag de vogel uit zijn gevangenschap bevrijden. Al zou het dan waarschijnlijk maar voor even zijn. In gedachten zien ze zichzelf vast en zeker al zitten in een exquise restaurant. Op het menu van vandaag staat een siervogel op een uiterst culinaire wijze bereid. Gepresenteerd op een bedje van sla en overgoten met een verfijnde romige saus met gefruite sjalotjes en fijne kruiden. Eén van de katten, een rode, dikke poes houdt mij scherp in de gaten, terwijl ze haar pootjes schoonlikt. Ze volgt elke stap die ik zet nauwlettend.
Een oude man, gekleed in een grauwkleurige galabiya, veegt het stoepje schoon voor zijn souvenirwinkeltje, dat uitpuilt door de vele wandborden, beeldjes van farao’s en koninginnen uit een ver verleden, piramides in vele kleuren en afmetingen, gouden en zilveren amuletten en cartouches en - waarschijnlijk nep - papyrusschilderijen. "Sabah el kheer", "goedemorgen", zegt hij als hij me ziet en hij tovert zijn breedste glimlach tevoorschijn. Een hele rij bruine en afgebrokkelde tanden komt tevoorschijn. Elke tandarts zou zich in de handen wrijven zijn hij als een dergelijke klant in zijn stoel zou krijgen. "Sabah en nour", "de dag van het licht", antwoord ik op mijn beurt, terwijl ik verder loop.
Ik ben inmiddels aangekomen bij het Tahrirplein: het plein van de vrede. Een echt rustig of vredig gevoel krijgt je hier niet. Hier is Cairo op zijn drukst. Het verkeer raast af en aan en ik vraag me af hoe ik veilig aan de overkant van de weg kan komen. Een jongen van naar schatting begin twintig jaar oud ziet me enigszins twijfelend op de stoeprand staan en komt naar me toe. "Er is maar één manier om hier over te steken. Gewoon je ogen dicht doen en rennen. Kijk maar...", zegt hij in gebrekkig Engels terwijl hij mijn hand pakt, lachend met me de straat over rent en er zichtbaar schik in heeft dat ik het op een gillen zet. Ik richt mijn ogen naar de hemel, doe snel een schietgebedje en hoop dat één of andere beschermengeltje me gunstig gezind is. "Shukran", "dank je wel", zeg ik enigszins nahijgend als we veilig aan de overkant zijn aangekomen. Het hart klopt me nog in de keel. "Jij komt niet van hier. Dat zie ik aan de kleur van je haren en je ogen. Waar kom je vandaan? Ik wil even met je praten. Mag ik je iets te drinken aanbieden?", vervolgt hij ons gesprek.
Bij een coffeeshop zitten een paar oude mannen aan een tafeltje shisha te roken en shai te drinken. Zonder een waterpijp met zoet geurende appeltabak en een kopje zwarte thee met pepermunt en veel suiker kan de dag hier niet beginnen. Het lijkt alsof deze mannen alle tijd van de wereld hebben, maar niet weten hoe en waarmee ze die tijd moeten vullen. Wat een verschil met Nederland, waar alles en iedereen altijd maar haast lijkt te hebben en rent en sjeest van de ene naar de andere afspraak.
We nemen plaats aan een ander tafeltje in dezelfde coffeeshop. "Mijn naam is Yasser", lacht hij, als hij me voor de tweede keer die dag de hand toesteekt. "Ik ben Caroline", zeg ik terug. "Welkom in Egypte, Caroline. Wat wil je drinken?", vraagt hij. "Shai alsjeblieft", antwoord ik. Hij bestelt een shai voor mij en een kopje Turkse koffie voor zichzelf. Even slaan we het tafereel op het plein stilzwijgend gade. Aan de lange stroom verkeer komt geen einde. De geur van verbrand rubber vermengt zich met het odeur van uitlaatgas en het parfum van zoete appeltabak. Er komt een man aangelopen met zijn shisha in het kielzog. Blijkbaar is hij een oude bekende van het groepje mannen, want hij wordt uitbundig begroet en gezoend. Er wordt druk gepraat in het Egyptisch-Arabisch. Waarover is mij niet helemaal duidelijk. Slechts zo nu en dan vang ik een woord op dat ik kan verstaan.
"Is dit de eerste keer dat je in Egypte bent?", vraagt Yasser terwijl de ober op een kunstige manier uit de kanaka, het speciale kannetje waarin de koffie wordt gezet, het zwarte vocht in het kopje schenkt. "Nee", antwoord ik: "Ik ben al vaker in Egypte geweest. Ik vind het zo’n mooi land dat ik hier steeds terug moet komen. Ik houd van Egypte. Van de oude tempels, de cultuur, de mensen en van de drukte in Cairo." Hij antwoordt lachend: "Egypte houdt van jou. Welkom in Cairo." Nu en dan van zijn gloeiend hete koffie nippend, vertelt hij me dat hij medicijnen studeert en zich graag zou willen specialiseren tot cardioloog. Om zijn boeken te kunnen betalen, werkt hij regelmatig als gids bij de piramides in Giza. Een vriend van hem studeert Archeologie en heeft hem aan die baan geholpen. "Als je wilt, kan ik je wel naar de piramides brengen. Niet nu, want ik moet helaas zo weg. Morgenochtend heb ik meer tijd. Als je me vertelt waar je logeert, haal ik je daar op." Ik bedank hem hartelijk voor het aanbod en vertel hem dat ik al een andere afspraak heb om naar de piramides te gaan. "Jammer", zegt hij terwijl hij enigszins teleurgesteld kijkt: "Ik had graag wat meer tijd met jou willen doorbrengen. Je bent de mooiste vrouw die ik ooit heb gezien."
De zon is inmiddels de coffeeshop binnen gedrongen en legt voor ons een uitnodigende gouden loper van licht naar de straat. We nemen afscheid en lopen naar buiten. De dag begint voor Nederlandse begrippen al lekker warm te worden. Het is iets boven de twintig graden. "Je zou eigenlijk een jas aan moeten doen", raadt Yasser me aan als onze wegen zich weer scheiden: "Het is winter in Cairo."
Op verzoek van één van mijn Egyptische vrienden in Nederland heb ik enkele cadeaus meegenomen voor zijn familie. Toen ik Amira belde om haar de hartelijke groeten van haar neef over te brengen en haar te vragen waar ik de presentjes af kon leveren, was ze aangenaam verrast en nodigde ze me uit voor de lunch. "Ik wil je de echte Egyptische keuken laten proeven. Koken is één van mijn grootste hobby´s. Ik zal allemaal typisch Egyptische dingen voor ons maken zoals falafel, kibbeh en foul." Ze beëindigde het gesprek met een uitgebreide beschrijving hoe ik de straat waar ze woont kan vinden. Het is midden in Heliopolis. Aan beide kanten van de weg staan hoge flatgebouwen. Het is het derde gebouw aan de linkerkant, de derde etage. Als de taxichauffeur stopt aan het begin van de straat, geef ik hem paar Egyptische Ponden in zijn hand voor de trip en stap uit. Amira staat al naar me uit te kijken. Ze wijst me vanaf haar balkon de deur van het flatgebouw. Om naar binnen te gaan moet ik om het gebouw heen lopen. De ingang is aan de achterkant.
De tafel staat overvol met schaaltjes gevuld met van alles en nog wat. Het ruikt heerlijk. Het is duidelijk dat ze de hele ochtend in de keuken heeft gestaan om dit allemaal te bereiden. Gerechten die ik, hoewel ik toch regelmatig in een Nederlandse shoarma grillroom te vinden ben, in de verste verte niet herken. Amira is een gezellige kletstante die opvallend goed Engels spreekt. "Ik ben een jaar in Amerika geweest voordat ik trouwde, maar ik kreeg heimwee naar Egypte en ben terug naar huis gegaan", verduidelijkt ze. "Wil je een stuk brood?" Ze schotelt me een groot bord met brood voor. Dan vervolgt ze op zachte toon: "Je weet toch dat Islamitische mannen in Egypte besneden worden?". Ze kijkt een beetje schuchter om zich heen alsof ze denkt dat de muren oren hebben. "Ja, dat weet ik", antwoord ik. "Weet je hoe zo’n besnijdenis gaat?" "Nee, dat heb ik nog nooit meegemaakt." Terwijl ze mijn bord nog een keertje vollaadt met mologiya be al aranib, een soep die is gemaakt van een groente die een beetje op spinazie lijkt en gevuld is met hazenvlees, zegt ze op zachte toon: "Volgende week hebben we een "tehara" in onze familie. De zoon van mijn jongste zus wordt besneden. Zij woont vlak bij El Azhar universiteit, de oudste en grootste universiteit en moskee in het oude Islamistische gedeelte van de stad. Je kunt met mij meegaan. Wil je dat?" Ik neem haar uitnodiging met een volmondig "Ja, graag" aan.
"Ik kan best begrijpen dat jongens om hygiënische redenen besneden worden, maar dat ik wel eens heb gehoord dat in Islamitische landen vrouwen ook worden besneden. Is dat in Egypte ook zo?", vervolg ik ons gesprek. Amira laat haar lepel bijna uit haar handen vallen en haar ogen beginnen ineens vervaarlijk schel te schitteren. "Ik ben er fel op tegen", zegt ze: "Het staat niet in de Koran maar het werd vroeger wel gedaan. Nu ook nog wel, maar gelukkig niet meer zo veel. Als het nu nog gebeurt dan is dat vooral in armere gezinnen omdat de dochters dan gemakkelijker een man kunnen vinden. In de lagere klassen gaat men er nog steeds vanuit dat de vrouw toebehoort aan de man. Hij is de baas. Zijn vrouw moet gehoorzamen, voor hem wassen, strijken en koken, wijdbeens klaarliggen als hij zijn lusten wil bevredigen en veel zonen baren. De vrouw mag vooral geen plezier beleven aan seks want anders zou zij misschien wel eens in de verleiding kunnen komen om het ook met andere mannen te doen. Mijn zussen en ik zijn niet besneden. Ik vraag me af hoe het voor een vrouw moet zijn om de spinnenwebben te tellen aan het plafond, te bedenken dat de afwas nog in de keuken staat of dat ze haar zus maar weer eens moet bellen, terwijl haar man op haar ligt te kronkelen om zijn hoogtepunt te bereiken. Een tehara is goed voor mannen, maar besnijden van vrouwen heeft in mijn ogen geen enkele zin."
De hele familie is er al als Amira en ik arriveren. De kleine woonkamer staat mudjevol met meubels: twee complete bankstellen in twee verschillende kleuren, een achtpersoons zware houten eethoek en twee grote houten kasten. Het huis is versierd alsof het Kerstmis is. Aan de muren en aan de plafonds hangen glinsterende slingers. Salma, de zus van Amira, ziet er gespannen uit. Haar ogen staan enigszins verwilderd. Mamdouh, haar kleine jongen, wordt vandaag besneden en van haar gezicht is af te lezen dat ze niet weet of ze blij moet zijn of angstig. Het is ook niet niks. Iedere moeder kan zich daar meteen iets bij voorstellen. Stel je voor dat er iets mis gaat. Dan is Mamdouh voor de rest van zijn leven getekend. Hoewel hij zijn piemeltje nu nog maar alleen gebruikt om te plassen, krijgt hetzelfde ding ook nog een hele andere betekenis voor hem als hij opgroeit. Zowel fysiek als mentaal. Een kleine fout vandaag kan grote gevolgen hebben voor de toekomst.
Amira stelt me voor aan de andere familieleden die me met de woorden "Ahlan wa sahlan" welkom heten. Als de bel gaat, vertelt Amira opgewonden: "Een tehara wordt uitgevoerd door een mannelijke verpleger, maar soms ook door een mannelijke kapper. Voor vandaag is een goede kapper uitgenodigd om de operatie te doen." Ik begrijp nu ook helemaal waarom Salma zo angstig kijkt. Een kapper die zo’n belangrijke ingreep doet, dat zou ik als moeder waarschijnlijk ook doodeng vinden.
De kapper wordt uitgebreid begroet door de hele familie. Hij geniet van de aandacht die hij krijgt. Hij draagt een witte doktersjas om interessant te lijken en heeft een grote zwarte tas bij zich met alle benodigdheden. De grote bril met dikke brillenglazen op zijn neus moet ervoor zorgen dat hij er enigszins geleerd uitziet. Hij maakt zichzelf nog gewichtiger door zijn tas op een iets te opzichtige manier te openen en er opvallend een glas met een spray uit te halen. "Ether om de kleine jongen te verdoven", verduidelijkt Amira als ze op de spray wijst.
Mamdouh is nog te klein om werkelijk te beseffen wat er met hem gaat gebeuren. Wat hij wel in de gaten heeft, is dat het feest voor hem georganiseerd wordt. Parmantig stapt hij door de kamer. Hij kijkt me olijk aan met zijn donkerbruine ogen en brabbelt iets in onverstaanbaar Arabisch. Zonder op een antwoord van mij te wachten, loopt hij door naar de volgende die hem aanschouwen wil. Hij is gekleed in een kraakheldere, perfect gestreken, witte galabiya. Zijn gewaad vertoont geen enkel kreukje. Zijn haar is strak naar achteren gekamd. Er ligt geen haartje verkeerd. Snel maakt zijn vader nog even een foto van zijn kleine jongen die voor deze gelegenheid zijn liefste lach op zijn gezicht tovert.
Dan tillen twee ooms hem op en houden hem stevig vast. De kapper doet een doek op het gezicht van de jongen, die het meteen keihard op een gillen zet. De tranen lopen in dikke tuiten over zijn wangen. Dan spuit de kapper ether op de doek om de jongen te verdoven. Op dat moment wordt het teveel voor Salma. Ze loopt met de handen voor haar gezicht de kamer uit. Een andere zus van Amira loopt achter haar aan om haar te kalmeren. Oma, Amira en ik blijven in de kamer. Dan sprayt de kapper de vloeistof op het piemeltje van de kleine jongen. Vervolgens desinfecteert hij de ´janneman´ van de kleine en zijn scheermes met alcohol en begint te snijden. In een mum van tijd is het alleen nog maar bloed wat ik zie. Op dat moment begrijp ik precies waarom Salma de kamer uit is gegaan. Ik kan het zelf ook niet meer aanzien en sluit mijn ogen.
Ineens klinkt er in de kamer het "zagruta", het typische geluid dat de Egyptenaren maken bij feesten. "Sharbat?", vraagt oma me als ze me een dienblad onder mijn neus duwt. De speciale zoete rozendrank wordt alleen gedronken bij speciale gelegenheden. Ik kijk naar de kleine Mamdouh en zie hoe zijn plassertje stevig is ingepakt in verband. Dan zie ik dat Salma ook weer is teruggekeerd in de woonkamer. Ze nipt glimlachend aan een glaasje sharbat, druk pratend met de rest van de familie. En de kleine Mamdouh? Hij loopt een beetje te wankelen omdat de verdoving nog niet helemaal is uitgewerkt. Zijn beentjes kunnen hem niet zo goed dragen. Hij kijkt een beetje wanhopig uit zijn ogen. De etherbedwelming zorgt ervoor dat hij voortdurend een beetje hoest. Ik loop naar hem toe, kniel en aai hem kort even over zijn wang. Dan begint hij weer in onverstaanbaar Arabisch te brabbelen. Met één handje reikt hij naar mijn haren. Dan legt hij zijn handje op mijn wang en met zijn grote donkerbruine ogen kijkt hij me ondeugend aan. Mamdouh is een casanova in de dop, bedenk ik me glimlachend als ik hem een kus geef op zijn wang. Als hij deze blik over twintig jaar nog in zijn ogen kan toveren, zal hij er geen moeite mee hebben de vrouwen het hart op hol te jagen. En dan kan hij blij zijn dat de kapper vandaag de operatie goed heeft uitgevoerd, want dan zal hij zijn ´japie´ nog heel vaak nodig hebben...
Piramidezicht
Hoeveel taxi's Cairo heeft, weet waarschijnlijk niemand. Maar dat het er heel erg veel zijn, is zeker. Ik steek mijn linkerhand op om er één aan te houden. Nog geen twee seconden later rijdt een vehikel in de kleuren van een taxi geschilderd bijna over mijn tenen. Op de deur staat het woordje taxi geschilderd en in zowel Arabische als Westerse tekens de cijfers van het nummerbord. "Taxi?", vraagt de chauffeur terwijl hij zich naar het open raam aan de rechterkant buigt en met zijn rechterhand de deur open maakt. Ik stap in. "Cairo Tower", zeg ik als hij in gebrekkig Engels vraagt waar ik heen wil. Met het grootste gemak manoeuvreert hij zijn auto van de linker- naar de rechterkant van de weg en baant hij zich door het verkeer in de Egyptische hoofdstad. Het dashboard is versierd met gekleurde kerstverlichting. In een houdertje staat een beker - waarschijnlijk koude - koffie. Arabische klanken komend krakend uit de oude radio. Aan de spiegel hangt een metalen bordje met Arabische tekens. Een spreuk uit de Koran.
De chauffeur is nog jong. Ik schat hem zo'n jaar of dertig. Zijn zwarte haar is kortgeknipt. Hij heeft een volle zwarte snor. Stoppels van een beginnende baard zijn zichtbaar op zijn kin. Hij draagt een zwarte pantalon en een lichte geruite bloes. "Ik heb gehoord dat je vanaf Cairo Tower de piramides kunt zien als het helder weer is", knoop ik een gesprek met hem aan. "Ik ben er wel eens met mijn vrouw geweest. Het uitzicht is erg mooi", bevestigt hij. "Mijn vrouw is zwanger. Ze kan elk moment bevallen. En dan word ik voor de eerste keer vader. Ik hoop dat ik op tijd thuis ben om het mee te maken", zegt hij met een brede glimlach. Zonder op mijn antwoord te wachten gaat het verder: "Vind je het erg als ik even langs mijn huis rijd om te controleren of alles goed is met haar?" Ik vertel hem dat ik dat niet erg vind, mits hij me niet straks een gigantische rekening presenteert voor de extra rit. In Egypte weet je dat immers maar nooit. Een taximeter zoals we die in Nederland kennen, kennen ze in Egypte niet. Als er al een meter in de auto zit, dan werkt hij in 99 procent van de gevallen niet. En in de overige gevallen staat hij niet aan. Elke taxichauffeur is feitelijk een eenmansbedrijfje, een taxicentrale is er niet en communicatie tussen de thuisbasis en de auto al evenmin. Hij verzekert me het ritje naar zijn huis niet te zullen berekenen.
Door een wirwar van straatjes komen we bij zijn huis terecht. Het is een oud appartementengebouw, vijf etages hoog. Aan de buitenkant van de muren hangen airconditionings. "Wil je misschien een kopje thee met ons drinken?", vraagt hij als we uitstappen. Het is vroeg in de avond en het is nog licht. Om binnen te komen moeten we een paar trappen op. Na de voordeur komen we in een donkere hal, waar in de hoek een man op een stretcher ligt te slapen. Als hij ons binnen hoort komen, kijkt hij even op en groet ons. De chauffeur woont op de eerste etage. De deur van zijn huis is open. Het is een beetje schemerig binnen. De houten luiken voor de ramen staan slechts op een kiertje om enkele stralen licht binnen te laten. Op een bed in de kamer ligt een hoogzwangere vrouw te slapen. Haar donkere lange haar waaiert uit over het kussen. De zon die door het raam naar binnen schijnt legt een smalle gouden band over haar dikke buik. Ze draagt een wijde jurk. Haar handen liggen liefkozend op haar buik alsof ze het ongeboren kind probeert gerust te stellen. Ze ziet er erg vredig uit. Als ze ons binnen hoort komen, opent ze haar ogen. De chauffeur knielt neer bij het bed en neemt haar gezicht in zijn handen. In het Egyptisch begint hij zachtjes, bijna fluisterend tegen zijn vrouw te praten. Uit zijn ogen is te lezen dat hij veel van haar houdt en erg bezorgd is om haar.
De oudere vrouw die het hele schouwspel vanuit een hoek heeft gadegeslagen, vraagt of we thee willen en loopt weg naar de keuken. Met een dienblad met een volle pot thee, vier glazen kopjes en een bordje met enkele koekjes, schuifelt ze terug de kamer in. "Wat is eigenlijk je naam?", vraagt de taxichauffeur aan me als we op de bank zijn gaan zitten. "Caroline", zeg ik. "Ik ben Hassan, mijn vrouw heet Rania", antwoordt hij. Als we de thee op hebben, zegt hij plotseling: "Vanaf ons dak kun je ook naar de piramides kijken. Wil je het zien?", vervolgt hij. "Graag", zeg ik. Hij gaat me voor naar de lift, die ons krakend en piepend naar de bovenste etage brengt. Achter een deur gaan we nog een trap op. We moeten een paar rare capriolen uithalen om op het dak te komen maar het uitzicht is absoluut de moeite waard. Tussen de kriskras door elkaar en scheef staande televisieantennes, tekenen de piramides zich in de verte duidelijk af tegen het avondrood. De zon hangt erboven als een gouden bol en zakt steeds verder naar beneden, tot hij achter de piramides verdwijnt.
Dan horen we de oudere vrouw roepen. Haar stem heeft een paniekerige ondertoon. Zo snel als we kunnen gaan we weer terug naar beneden. Dikke zweetdruppels parelen op het voorhoofd van Rania terwijl ze zachtjes ligt te kreunen. "Ik kan je beter nu snel naar Cairo Tower brengen, want de bevalling gaat waarschijnlijk zo beginnen", zegt hij verontschuldigend. "Nee", zeg ik als ik hem bij het naar buiten lopen een paar Egyptische Ponden in zijn handen druk voor de taxirit: "Blijf maar hier bij je vrouw. Ik red me wel." Hij gebaart dat hij mijn geld niet kan aannemen. "Koop er dan maar iets moois voor, een cadeautje van mij voor je eerste kind", zeg ik. Dankbaar pakt hij mijn handen. "Als het een meisje wordt, noemen we haar Caroline, naar de mooie vrouw met het goede hart. Ik hoop dat mijn kind ook zulke mooie ogen krijgt als jij", zegt hij glimlachend. Hoewel ik ook wel weet dat het kind, ook al is het een meisje, waarschijnlijk niet echt mijn naam zal krijgen, voel ik me toch vereerd en glimlach terug. "Ga nu maar snel naar je vrouw. Ze heeft je nodig. Pas maar goed op haar", fluister ik als ik naar buiten loop. Zachtjes trek ik de deur achter me dicht. Als ik weer op straat sta, lijkt Cairo er ineens anders uit te zien. Zachter en romantischer. Ik loop de straat uit en kom bij een drukke weg, waar het verkeer in stromen voorbij raast. Het wordt al donker. Snel steek ik mijn hand op om de volgende taxi aan te houden.