ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ



Back to "Atjehse Helden" thumbnails

mijn Nederlands-IndiŽ links

INDEX  (bottom)


Chik_Di_Tiro

Cut_Nyak_Dhien

Teuku_Umar


Atjehse Nationale Helden


Tjoet Nja Din - Teuku Umar - Chik Di Tiro - Habib Abdoerrachman el Zahir - Nanta Setia - Panglima Polim - Muhamad Daud - Alaiddin Mantsjoer Sjah


De geschiedenis van Atjeh rondom de Nederlandse veroveringsoorlog






    Op de Volksuniversiteit Geldrop start op woensdagavond 6 oktober 2010 een cursus van 10 avonden over de geschiedenis van de Nederlandse KoloniŽn. Ook wordt dan natuurlijk de geschiedenis van Atjeh besproken!

    Docent: Aad 'arcengel' Engelfriet, cultureel-historisch reisleider, stadsgids en geschiedenis docent. Webmaster van deze grootste Nederlandstalige geschiedenis website, een erkend specialist op het gebied van de Nederlandse koloniale geschiedenis.

    Voor meer info:

    klik dan HIER




    Geinteresseerd in een historische rondleiding voor uw eigen groep(je) door Aad 'arcengel' Engelfriet, webmaster van deze grootste Nederlandstalige geschiedenis website, door o.m. een stad of streek in bijv. Nederland, BelgiŽ, Duitsland, Groot-BrittanniŽ, Ierland en/of een historische lezing, publicatie, recensie:

    Voor meer vrijblijvende informatie

    aad@engelfriet.net

    Wilt U eerst meer weten over Aad Engelfriet:

    klik dan HIER







Het Atjehse verhaal met o.m. enkele nu nog bekende Atjehse oeléëbalangs en oelama's


  • In deze paragraaf een samenvatting van verhalen geschreven door Nederlanders rondom WOII !!
  • Eerst een kopie van de introduktie, wil je deze introduktie overslaan, klik dan op " meteen verder ".


  • Wat zijn oeléëbalangs en oelama's, wat is een panglima en wat betekenen al die aanspreektitels :

  • Een oeléëbalang is een traditioneel hoofd en meestal van adel, zijn aanspreektitel is Teuku
  • Een oelama is een godsdienstig leider, zijn aanspreektitel is Teungku
  • Een oelama die in Mekka is geweest, heeft de aanspreektitel Teungku Chik of gewoon Chik
  • Een panglima is de eretitel voor een (of de) belangrijk(st)e militaire commandant
  • Een prinses heeft de aanspreektitel Pocut
  • Een adellijke vrouw heeft de aanspreektitel Cut of Tjoet


  • De 3 federaties heten in Atjeh Sagi's. Iedere Sagi, (letterlijk : hoek) met aan het hoofd een panglima, geadviseerd door een of meerdere oelama's, is weer onderverdeeld in een aantal vorstendommen geleid door een oeléëbalang en weer geadviseerd door een of meerdere oelama's. In Atjeh worden geen namen gegeven aan de Sagi's en de vorstendommen, maar wordt het volgende systeem gehanteerd :

    Het Atjehse volk woont in moskee gemeenten. Een moskee gemeente oftewel een Moekim, kan een of meerdere dorpen omvatten. Het vorstendom krijgt nu als naam het getal van het aantal in haar gebied liggende Moekims. Zijn er in een vorstendom 6 Moekims, dan krijgt het vorstendom de naam VI (6) Moekims.

    Op de onderstaande kaart zijn er dus vorstendommen die heten VI (6) Moekims of IX (9) Moekims. Alle Moekims in een Sagi worden opgeteld en zo krijg je dus de Oostelijke Sagi met 26 Moekims, oftewel Sagi 26. En zo bestaat er ook de Zuidelijke Sagi 22 en de Westelijke Sagi 25.
    In deze dagen werd er dus gesproken van de 6 Moekims van Sagi 25.

    Alle Sagi's zijn gegroepeerd rondom de Sultans Dalam in het toenmalige Kota Radja met het vrije priesterschap Longbata.

    grootatjeh

    De Nederlandse wetenschappelijke spion Snouck Hurgronje kreeg rond 1890, als Hadji, zoveel vertrouwen van de Atjehse bevolking dat de, in Atjeh zeer geliefde, heldendichter Dokarim hem diverse keren bezocht.
    Dokarim reciteerde zijn heldendichten namelijk alleen voor zijn eigen volk, maar maakte een uitzondering voor Snouck Hurgronje, die hem sommige gedichten diverse keren liet herhalen om Dokarim te betrappen op wijzigingen.... Dankzij Snouck Hurgronje raakte een van Dokarims' heldendichten, het

    "Epos van de Oorlog met de Kompeuni" (Hikajat Prang Kompeuni)

    ook bekend bij de Nederlanders : via dit steeds bijgewerkte epos werden de Atjehers op de hoogte gehouden van alle ontwikkelingen die te maken hadden met de oorlog met de Nederlanders. Zo werd in dit epos o.m. met groot ontzag gesproken over Generaal Eenoog. Herhaaldelijk werden echter ook de regels herhaald waarin de Atjehers werden opgeroepen tot de Jihad ("heilige oorlog") tegen de ongelovige kaphees ("christenhonden") oftewel de Nederlanders, waarbij veel roem en eer te halen was, want "de Nederlanders waren gekomen om de Islam te doden". Sterven in de strijd tegen de Nederlanders gaf automatisch recht op een plaats in het paradijs.

    Rond WOII vroegen sommige Nederlanders zich af :

    "Waar was ons, waar was het Hollandse Epos over de Atjehoorlog ?! Waarom, als wij dan de rol van beschavingsbrengers op ons hadden genomen en ook de verantwoordelijkheid om de Christelijke waarden te vuur en te zwaard over het Atjehse volk uit te storten, bestond dan daarvan geen heldendicht in onze schone letteren ?! Het Hikajat Prang Kompeuni werd geschreven door een vertegenwoordiger van een dapper volk in een tijd dat wij hen als "Muzelmanse barbaren" bestreden en onderwierpen met de leuze "Wij brengen hun de beschaving" Plotseling voelen wij ons bekropen door een vreemdsoortige schaamte. Wat hebben wij geschreven als epos, wat wij op onze beurt, aan het door ons beoorloogde volk, in Naam der Beschaving, kunnen schenken ?! De monografie van Snouck Hurgronje ? "

    Snouck Hurgronje schreef een wetenschappelijk rapport, in opdracht van de regering in Den Haag, waarin hij precies aangaf wat er mis was gegaan in Atjeh en wat er moest gebeuren om Atjeh te kunnen pacificeren.
    In 1892 werd dit roemrucht geworden 'Atjeh verslag' slechts gedeeltelijk gepubliceerd, officieel getiteld

    "Verslag omtrent de religieus politieke toestanden in Atjeh"

    2 hoofdstukken uit dit "Verslag omtrent de religieus politieke toestanden in Atjeh" werden gepubliceerd in 1893 onder de naam "De Atjehers", jarenlang werd "De Atjehers" als een wetenschappelijk antropologisch standaardwerk beschouwd.
    De andere twee hoofdstukken bleven tot 1957 staatsgeheim en werden pas toen gepubliceerd als "Ambtelijke adviezen van C. Snouck Hurgronje".

    En dan nu het verhaal van de geschiedenis van Atjeh geschreven o.m. rondom Tjoet Nja Din (Cut Nyak Dhien) die rond WOII als volgt wordt omschreven :

    "Geen van de kerels, die aanvoerders waren in de lange heilige oorlog van Atjeh tegen Ons, heeft ons zo fel gehaat, zo ongenaakbaar bestreden als zij en weinigen hebben als zij geofferd aan macht en bezit. Nooit in haar verzet, is zij een stap geweken, nooit was zij weifelmoedig, nooit omkoopbaar.Door ons verbannen, is zij in ballingschap gestorven. Men zegt : verzoend. Maar dat kan niet geloofd worden. Waarom trouwens, zouden wij dat "verzoend-zijn" van haar verlangen ?! Als een pleister op de wonde van ons geweten? Ter meerdere glorie van onze zegepraal? Neen, laten wij haar eren als onze bitterste, onverzoenlijkste vijandin, die gebroken werd door onze overmacht"

    In 1830 is Sultan Alaiddin Mohamad Sjah in konflikt gekomen met de machtige familie Polim, in het zuiden van Atjeh. De belegerde Dalam wordt ontzet door Nanta Tjih, die als beloning wordt benoemd tot oeléëbalang Poteu van de 6 Moekims uit de Westelijke Sagi 26. Sagi 26 als geheel wordt bestuurd door de Nèh die de bevolking van hun Sagi en in het bijzonder die van 6 Moekims "uitzoog en knevelde". Door de benoeming van Nanta Tjih tot erfelijk oeléëbalang Poteu wordt 6 Moekims afgescheiden van de Westelijke Sagi en ontstaat er dus een konflikt met de Nèh.
    De zoon van Nanta Tjih, Nanta Setia, (de latere vader van Tjoet Nja Din) is eerzuchtig en wil graag meer worden dan alleen oeléëbalang Poteu van de 6 Moekims.
    Een andere zoon van Nanta Tjih, Machmoed, wordt later trouwens de vader van Teuku Umar.

    In 1838 overlijdt Sultan Alaiddin Mohamad Sjah. Zijn zoon Soleiman is nog minderjarig en dus wordt Ibrahim, een broer van de overleden Sultan, benoemd tot regent. Ibrahim was al vroeg van plan om zijn regentschap zo lang mogelijk vol te houden, hij betrok de Dalam en verzekerde zich van de steun van de machtige Polims. Voor de Nanta's niet zo gunstig, want dankzij de steun van Nanta Tjih, was in 1830 het beleg van de Dalam door de Polims, gebroken. De minderjarige zoon Soleiman wordt tijdelijk ondergebracht bij familie in de 6 Moekims, dus in het gezagsgebied van de Nanta's.

    Nanta Setia gebruikte zijn invloed en maakte daarbij gebruik van de populariteit van vader Nanta Tjih, om snel rijk te worden. Rijkdom werd in die dagen ook beoordeeld naar het aantal gewapende mannen, de "rakans". Door de akties van de rakans buiten het gebied van de 6 Moekims en dus door de toenemende macht van Nanta Setia werden de, niet populaire Nèh's steeds meer in het nauw gedreven. Ook de Nèh's hadden natuurlijk goede konnekties met de Dalam, alleen de regent Ibrahim was meer op de hand van de Polims dan van de Nèh's en dus kon Nanta Setia redelijk ongehinderd doorgaan met het ondermijnen van het gezag van de Nèh's. Ook de in zijn gebied ondergebrachte Soleiman werd door Nanta Setia heimelijk gesteund, je weet maar nooit.... In het geheim werden ook kontakten gelegd met de machtige Teuku Baït, een van de tegenstanders van Teuku Polim. Ook met Teuku Oedjoeng in het Noorden van Atjeh aan de "kust die uitkeek op Malakka", werden geschenken uitgewisseld. Teuku Oedjoeng beschikte immers over zeer veel zeer ervaren rakans die geregeld een voorbijkomend Brits schip (op weg naar Singapore) of Hollands schip (op weg naar Batavia) overvielen, kortom Teuku Oedjoeng was een zeer rijke en ervaren oeléëbalang.

    Persoonlijk zat het Nanta Setia echter niet mee, een van zijn 2 zonen stierf jong, de ander had een "pover verstand". Als boeteling trok hij rond in zijn gebied op zoek naar geestelijke inspiratie en inkeer en kwam zo in kontakt met de in "heilige reuk staande" Mekkaganger Hadji Saïd. Na vele gesprekken met Hadji Saïd trok Nanta Setia zich terug voor een Tapa : het zich afzonderen om in "volledige terughouding van wereldse en lijfelijke geneugten, tot in de diepste diepte van religieuse overpeinzing af te dalen." Eerbied alom in de 6 Moekims voor Hadji Saïd die Nanta Setia toch maar zo ver had gekregen...

    In 1847 ging het mis : een inwoner van Merassa, het gebied zuidelijk van Teuku Oedjoeng, vermoordt de zeer vereerde Hadji Saïd. De in 6 Moekims nog steeds aanwezige Nèh bestuurder doodt, om bloedwraakgevolgen te voorkomen, met "één slag van zijn zwaard de krankzinnige van Merassa".
    Maar dit is niet de oplossing. Volgens de adat kan een bloedoffer alleen als genoegdoening dienen als de moordenaar bij zijn volle verstand was tijdens zijn daad. Een daad van een ontoerekeningsvatbare moet anders worden gewroken (!) en dus moet Teuku Nèh dit anders oplossen, wat hij echter weigert, want wat heeft hij te maken met die opstandige 6 Moekims die nu ineens naar hem komen. De ongelukkige Nèh bestuurder die zijn oeléëbalang in een lastig dilemma heeft gebracht, moet het maar oplossen. Die regelt een financiële schadevergoeding door de oeléëbalang van Merassa, een neef van Teuku Nèh.
    De familie van de vermoorde Hadji Saïd vindt dit een belediging, zij houden zich aan de adat die een bloedoffer eist! De Nèh bestuurder geeft het op.
    De rakans van Nanta Setia trekken op naar Merassa. Nanta Setia vraagt ondertussen toestemming aan de Regent-Sultan Ibrahim om oorlog te voeren tegen Merassa dat gesteund zal worden door Nèh, want de familie eer is in het gedrang. Ibrahim realiseert zich dat een uitputtingsoorlog tussen de Nanta's en de Nèh ook in zijn belang kan zijn en geeft zijn zegen aan Nanta Setia. Ibrahim gaat zelfs zover dat hij buskruit levert aan zowel de Nanta's als de Nèh!

    De ster van Nanta Setia rijst, midden in het krijgsgewoel wordt zijn beroemde dochter geboren, met een "waskleurige huid" : Tjoet Din oftewel de Hooggeborene, Kleine Waskleurige.

    Het lukt Nanta om de Nèh buiten zijn gebied te houden. Over en weer vallen wat slachtoffers, maar tot een echt grote oorlog om de vermoorde Hadji Saïd komt het nog niet, want een andere strijd, met hogere belangen, weet iedereen, staat er immers aan te komen :

    Soleiman nadert de meerderjarige leeftijd, Ibrahim maakt echter geen aanstalten om te vertrekken uit de Dalam. Soleiman vraagt hulp aan Nanta Setia, in wiens gebied hij immers woont. Soleiman nodigt hem uit om samen met Teuku Baït, een van de tegenstanders van Teuku Polim, de strategie tegen Ibrahim te bepraten. Een hele eer voor Nanta Setia, hij is nu immers op gelijke hoogte met Teuku Baït!
    De medestanders van Ibrahim zijn de Polim's en de Nèh. Nanta beseft dat het gebied van de 6 Moekims, waar hij nu de alleen macht heeft, ongetwijfeld het toneel zal gaan worden van de komende gewapende burgeroorlog. Polim heeft nog een oude rekening met Nanta openstaan, met de Nèh is Nanta Setia al in gevecht en Soleiman woont in zijn gebied en durft niet op te trekken naar de Dalam. De Sultan in de Dalam heeft traditie getrouw eigen troepen, slaven van het eiland Nias, berucht om hun wreedheden en die zullen de door Nanta welwarend geworden 6 Moekims, met alle plezier willen plunderen. En zo ontbrandt de burgeroorlog, aangewakkerd weliswaar door de moord op Hadji Saïd, maar door hogere belangen verdrongen.

    Polim, de Iman van het vrije priesterschap Longbata en Nèh roepen Regent Ibrahim uit tot de wettige Sultan van Atjeh, hij neemt de naam aan van "Alaiddin Mantsjoer Sjah". De 3 Moekims van Sagi 26 sluiten zich hierbij aan samen met de Moekim Grote Moskee, met de grote heilige missigit, de Beitoe Rahman, die zo'n 20 jaar later ook enkele keren door de Nederlanders veroverd zou worden tijdens de eerste expeditie en de tweede expeditie : zie de bovenstaande kaart.

    De rest van Atjeh sluit zich aan bij Soleiman : Nanta en Baït aan het hoofd; Teuku Poerda, de oeléëbalang van de 9 Moekims; de Opperrechter Teuku Kadli en de oeléëbalangs van de Sagi's 25 en 26.
    Zoals verwacht woedt de strijd voornamelijk in de 6 Moekims aan de Noordkust (zie de kaart). Bij verrassing probeert Baït van de 7 Moekims naar het gebied met de Beitoe Rahman te trekken, de heilige missigit. De Beitoe Rahman wordt zwaar beschadigd, maar blijft in handen van Ibrahim. Het zal het enige grote wapenfeit blijven, want de burgeroorlog verloopt erna snel, beide partijen zijn immers even sterk en het land moet tenslotte ook bewerkt worden. Sultan Alaiddin Mantsjoer Sjah realiseert zich ook dat er zich een nog veel groter gevaar aankondigd : de Hollanders die hun gebied vanuit het Zuiden van Sumatra steeds verder uitbreiden richting Atjeh. Alaiddin Mantsjoer Sjah krijgt te maken met zowel binnenlandse als buitenlandse vijanden.

    In deze jaren rond 1850 wordt namelijk voor de kust van Atjeh reeds een "oorlog" uitgevochten tussen Atjehse en Hollandse kooplieden die elkaars schepen overvallen en soms dan ook de bemanning vermoorden. Via het eiland Nias (waar Sultan Alaiddin Mantsjoer Sjah dus zijn slaven vandaan haalt, die dienst doen als rakans) proberen de Nederlanders de diverse oeléëbalangs met geld en exclusieve afspraken aan zich te binden. Ook de Britten in het nabije Singapore mengen zich soms in deze koloniale verdeel en heers politiek. Sultan Alaiddin Mantsjoer Sjah doet zijn best om de oeléëbalangs in zijn kamp te krijgen, want er is immers een burgeroorlog aan de gang.
    Plotseling verschijnt dan in 1855 met veel vlagvertoon een Hollands oorlogsschip op de rede van Atjeh. De Hollanders worden niet ontvangen door Sultan Alaiddin Mantsjoer Sjah. In 1856 verschijnt weer een Hollands oorlogsschip, Alaiddin Mantsjoer Sjah durft het bezoek nu niet te weigeren, maar schrijft meteen een brief naar Singapore om raad. En wat antwoordden de Britten aan de in het nauw gedreven Alaiddin Mantsjoer Sjah : hij moet kontakt opnemen met de Hollanders, alleen die kunnen hem helpen in zijn strijd om de macht. En dus doet de Sultan een dergelijk verzoek, maar helaas de Hollanders kunnen hem niet helpen : in het in 1824 afgesloten Tractaat van Londen is het de Hollanders niet toegestaan zich te mengen in de binnenlandse aangelegenheden van Atjeh..........

    Min of meer noodgedwongen tekent de Sultan dan maar toch het hem opgelegde verdrag van "vriendschap, vrede en vrije handel". In dit verdrag (ook wel "Het Tractaat "genoemd) wordt o.m. afgesproken dat

    "Hollandse en Atjehse handelaren overal in de archipel en dus ook in Atjeh kunnen varen, handeldrijven en logeren zonder gekrist of gelyncht te worden; dat langs elkaars grenzen de status quo gerespecteerd zal worden en dat alle vroegere veten wederzijds vergeten en vergeven zijn; dat machteloze schepen in een storm niet meer vernietigd zullen worden en dat geen enkel vaartuig, van welke mogendheid dan ook, meer door iemand gekaapt en geplunderd zal worden. Het eiland Nias zal een min of meer neutrale status krijgen waarbij de Hollanders dus even veel rechten zullen hebben als de Atjehers en dus verliest Alaiddin Mantsjoer Sjah de aanvullingsbron voor zijn rakans ."

    En dit heet dan eufemistisch een "Verdrag van Vriendschap, Vrede en Vrije Handel"

    In 1858 wordt ook een verdrag afgesloten met Siak (grenzend aan Atjeh), waarbij de grenzen van Siak echter zo ruim mogelijk werden beschreven en dus vielen, volgens de Nederlanders althans, ook sommige Atjehse gebieden en havens onder de Nederlandse soevereiniteit, (of zoals dat toen genoemd werd "den Opperhoogheid") zonder dat Atjeh dit wist natuurlijk.
    ( zie De Nederlandse expansie op Sumatra : op weg naar Atjeh... )

    Ook in 1858 wordt Soleiman ziek en overlijdt. De burgeroorlog is voorbij en iedereen herademt. Alaiddin Mantsjoer Sjah wordt plechtig in de provisorisch herstelde Beitoe Rahman tot Sultan van Atjeh ingehuldigd. Een priester lukt het om de vete vanwege de moord op Hadji Saïd bij te leggen. Alleen Nèh blijft protesteren bij Alaiddin Mantsjoer Sjah over Nanta.

    Kort daarop trouwt Tjoet Din, de dochter van Nanta Setia, de nu zeer machtige oeléëbalang, met Teuku Ibrahim Lamgna, de zoon van Teuku Oedjong Aroen, de oelama van Lamgna, ook een zeer belangrijk man in het toenmalige Atjeh.
    Op de bruiloft reciteert de reeds toen beroemde heldendichter Dokarim.

    Tjoet Din gaat nu door het leven als Tjoet Nja Din : hooggeboren vrouw.

    Voor haar man, Ibrahim, is zij zijn tweede vrouw, maar wel de belangrijkste, het wordt een gelukkig huwelijk. Zowel Ibrahim als Tjoet Nja Din hadden allebei de overtuiging dat zij tot het Ware Geloof behoorden en dus zich moesten verdedigen tegen de ongelovige Hollanders. Geinspireerd door Tjoet Nja Din wordt Ibrahim later een geducht verdediger van de 6 Moekims tegen de binnenvallende, ongelovige Hollanders!

    Abdoerrachman

    Habib Abdoerrachman el Zahir

    Omstreeks 1866 arriveert vanuit Turkije in Atjeh Habib Abdoerrachman el Zahir. Gedecoreerd met het commandeurskruis met de Ster van de Turkse Orde van Osmanië. Hij trekt rond en voorspelt dat binnenkort Atjeh te gronde zal gaan aan heersende ongodsdienstigheid, zedeloosheid en tweespalt! Namens Turkije brengt hij de boodschap :"....de Ongelovigen naderen om u te vernietigen.........."

    Habib Abdoerrachman el Zahir mengde zich in allerlei zaken en kreeg het dus met vele belangrijke oelama's en oeléëbalang's aan de stok, waaronder de Nanta's.
    En weer ontstonden twee kampen : de Atjehse partij, met o.m. de Sultan, de Nèh en Nanta, tegenover de Arabische partij met natuurlijk Habib Abdoerrachman el Zahir, maar ook Polim en Baït : vroegere vijanden zijn nu weer bondgenoten v.v.

    Sultan Alaiddin Mantsjoer Sjah voelt zijn einde naderen en wil alles wat hij Soleiman misdreven heeft, herstellen. Habib Abdoerrachman el Zahir stelt zijn testament op, waarin Sultan Alaiddin Mantsjoer Sjah de zoon van Soleiman aanwijst als zijn opvolger. Bovendien schenkt hij Habib Abdoerrachman el Zahir $3000,= voor het herstel van de Beitoe Rahman. De dag erna overlijdt Sultan Alaiddin Mantsjoer Sjah !

    Onder invloed van de charismatische Habib Abdoerrachman el Zahir wordt overhaast Habib Abdoerrachman el Zahir zelf benoemd tot regent. Zelfs de machtige Polim kon hier niet tegen op.

    Veertig dagen later wordt de 12-jarige zoon van Soleiman, onder de naam Mahmoed Sjah tot Sultan van Atjeh uitgeroepen en wordt Habib Abdoerrachman el Zahir bevestigd tot Regent of zoals de Nederlanders hem later gingen noemen "Rijksbestierder" en dit alles in 1870, vier jaar na zijn aankomst in Atjeh en 3 jaar voor de eerste Nederlandse expeditie!

    De Beitoe Rahman was "juist klaar om door de Nederlandse troepen in brand geschoten te worden".

    Tijdens de aanloop naar de eerste Nederlandse expeditie van 1873 worden vanuit Penang door de Atjehse "Raad van Achten" 15.000 geweren en 5000 vaten buskruid aangekocht en voorlopig opgeslagen in de Dalam van de Sultan. De Nederlanders wisten dit uiteraard niet en laten zij nu precies diezelfde Dalam willen aanvallen, wat dus mislukt....
    In de voorafgaande zenuwoorlog vertrekt Habib Abdoerrachman el Zahir halsoverkop naar Turkije met een petitie van de Atjehse Groten (w.o. Nanta, Nèh, Polim, Baït) voor militaire bijstand! In Atjeh heerst opgewonden verbittering, de Nederlanders worden steeds meer gehaat, niet alleen als kaphees (ongelovige christenhonden),maar vooral als agressieve kolonisators. De onderlinge verdeeldheid blijft bestaan, maar dit bedreigt iedereen.
    In alle Moekims roepen de oelama's op tot de Jihad, de Heilige Oorlog. Iedereen wacht met spanning op de terugkomst van Habib Abdoerrachman el Zahir, hij is, ondanks alles, de enige die als Regent gezag heeft bij iedereen en dus allen verenigd.
    Al snel komt echter de melding uit Penang dat de Nederlandse troepenmacht slechts uit 5000 man bestaat, voor het verenigde Atjeh geen partij. Alleen waar zullen de kaphees landen en wanneer komt Habib Abdoerrachman el Zahir terug.

    Toen op zaterdag 22 maart 1873 vier stoomboten aan de Noordkust voor het gebied van de Nèh van Merassa verschenen dachten de Atjehers in eerste instantie dat het Habib Abdoerrachman el Zahir was met Turkse hulp, maar verslagenheid alom, het waren de Nederlanders. De onderhandelingen met de Dalam gaan via de Nèh van Merassa, volgens Nanta Setia een slappeling.
    Zonder dat de Dalam het weet onderhandelt de Nèh van Merassa in het geheim met Nieuwenhuyzen aan boord van de Citadel van Antwerpen.
    De Nèh van Merassa verzoekt om een geschreven "Teken van Vertrouwen", waarmee hij hoopt te vermijden dat zijn Moekims worden verwoest. Zelfs biedt hij aan om kontakt op te nemen met oeléëbalang's die best gevoelig zijn voor Nederlandse bescherming oftewel geld.
    Helaas voor de Nèh van Merassa, Nieuwenhuyzen weet NIETS van de wrijvingen tussen de verschillende oeléëbalang's, bijvoorbeeld die tussen Merassa en Nanta in de 6 Moekims ! Een gemiste "verdeel en heers" kans.

    Als de Nederlanders hun oorlogsverklaring op de kust van Merassa afgeven, wacht hun een nieuwe vertegenwoordiger, niet meer iemand van Nèh, hun verraad is al uitgelekt, maar een gemachtigde van Nanta Setia. De oorlogsverklaring wordt overgebracht naar de jonge Sultan Mahmoed Sjah die bijgestaan wordt door alle Rijksgroten, alleen waar blijft Habib Abdoerrachman el Zahir....

    De rode oorlogsvlag met de witte halve maan en ster wordt gehesen, bij de landing worden de Nederlanders opgewacht, niet door rakans van Merassa, die zijn al op de vlucht, maar door de rakans van Nanta ! Pas na dagen lukt het de Nederlanders om dieper het land in te komen, maar weten niet waar de Dalam ligt en bereiken bij toeval (?) de heilige missigit, de net gerestaureerde Beitoe Rahman.

    Missigit Beitoe Rahman 1895

    Foto uit 1895 : de Missigit Beitoe Rahman, net weer opgebouwd door de Nederlanders
    In 25 jaar 3 keer verwoest geweest.....


    Baiturrachman Mosque

    De Grand Baiturrachman Mosque - Banda Aceh (Jaar 2000)


    Voor de Atjehers is de Beitoe Rahman net zo iets als de Al Aqsa moskee op de Tempelberg in Jeruzalem en dus wordt er uiterst fanatiek verdedigd. Om een lang verhaal kort te maken, de Beitoe Rahman gaat uiteindelijk in vlammen op, zonder dat de Nederlanders beseffen wat ze precies vernietigd hebben. Een golf van wraak en woede gaat door het land....De Nederlanders worden uiteindelijk verslagen en trekken zich weer terug op hun schepen en gaan terug naar Batavia. Tijdens hun tocht terug wordt Merassa geplunderd door de rakans van Nanta.

    Bij de Tweede Nederlandse Expeditie wordt (weer zonder dat de Nederlanders het beseffen) het Staatsarchief in brand geschoten. Teuku Nèh begint in het geheim weer te onderhandelen met de Nederlanders die nu vastbesloten zijn om te blijven. Teuku Nèh speelt nu alles of niets en verraadt de Nederlanders waar en hoe ze de Dalam het best aan kunnen vallen, wat dan ook eindigt in een Nederlandse verovering van de Dalam. Vanzelfsprekend zijn ervoor al de resten van de Beitoe Rahman opnieuw veroverd. Op de heilige grond bouwen de Nederlanders later een nieuwe moskee

    De Nederlandse bevelhebber Van Swieten is opgelucht en roept de beroemde woorden "De kraton is ons" en laat de champagne aanrukken. De meegebrachte militaire kapel speelt "Wien Neerlands Bloed".(kraton is het Javaanse woord voor Dalam, het begrip Dalam kenden de Nederlanders toen nog niet, in hun ogen waren alle Inlanders gelijk)
    Tot ver in de omtrek is het overwinningsfeest van de Nederlanders hoorbaar, ook Nanta Setia en zijn dochter Tjoet Nja Din en haar man Ibrahim gaan luisteren. Alle drie zijn zij woedend, want Teuku Nèh heeft ook op hen wraak genomen door de Nederlanders 6 Moekims te laten plunderen, wisten de Nederlanders veel...

    gouvernements huis kotaradja op terrein dalam

    Op het terrein van de Dalam werd later het gouvernementshuis gebouwd....


    Voor de verovering van de Dalam is de Sultan al weggetrokken, bang voor de door de Nederlanders meegebrachte cholera. Alles van waarde uit de Dalam wordt meegenomen, alles wordt vervoerd door de slaven van Nias naar Longbata. Onderweg overlijdt de nog jonge Sultan toch aan de cholera en wordt begraven in Longbata. De volgende dag moet het lijk weer worden opgegraven, want de Nederlanders komen op verkenning. Het lichaam wordt door Baït meegenomen naar 7 Moekims. Op het hoofd van Nèh wordt door Polim een prijs gezet van $500,=!

    Een kleine Nederlandse bezetting blijft achter na het vertrek van Van Swieten. En dit is de kans om wraak te nemen op de verrader Nèh en tegelijkertijd ook te proberen de Dalam en de Beitoe Rahman te heroveren, kortom een burgeroorlog onder het oog van de Nederlanders die er niets van begrepen. Pas ruim 10 jaar later zal Snouck Hurgronje de eerste Nederlander zijn die het begreep.
    In deze periode komt Habib Abdoerrachman el Zahir weer terug, zonder daadwerkelijke steun van de Turken...., maar voorvarend neemt hij weer wel snel de broodnodige leiding op zich.
    Terwijl Merassa wordt aangevallen, lukt het Nèh om de Nederlanders 6 Moekim vanuit zee te laten bombarderen. Als reaktie wordt nu massaal Merassa van alle kanten aangevallen en iedereen vlucht in paniek naar de bezette Dalam. De Nederlanders verdrijven de aanvallers en worden meegesleurd in de fanatieke gevechten waar niet alleen veel Nederlanders bij sneuvelen, maar uiteindelijk ook Teuku Nèh, hij wordt vergiftigd. Door hevige regenval moet iedereen trouwens de strijd opgeven. Tijdens de gevechten veroveren de Nederlanders Longbata, de oelama kon net op tijd vluchten met alle rijkdommen uit de Moskee. Het huis van Nanta Setia wordt het centrum van waaruit alle akties tegen de Nederlanders worden beraamd.

    Aangezien het de Nederlanders lukt om nog meer oeléëbalangs en zelfs oelama's aan hun kant te krijgen, w.o. de Opperrechter Teuku Kadli die later de openingstoespraak zou houden ter gelegenheid van de door de Nederlanders herbouwde Beitoe Rahman, gaat men, nog tijdens de afwezigheid van Habib Abdoerrachman el Zahir, op bezoek bij de Heilige Hogepriester di Tiro in Pidië.
    Di Tiro vond aanvankelijk dat men zich beter druk kon maken om de zuiverheid van het geloof en een pelgrimsreis naar Mekka. Maar hij liet zich overtuigen dat dit geen gewone onderlinge oorlog was, maar een geloofsoorlog, de Nederlanders waren, zo was de algemene konklusie, gekomen om de Islam te doden.
    Een aantal oelama's worden naar het huis van Nanta Setia gezonden onder leiding van de net uit Mekka teruggekeerde neef van de Heilige Hogepriester, Teungku Chik Di Tiro. Bij alle vergaderingen is de dochter van Nanta Setia, Tjoet Nja Din met haar man Ibrahim, aanwezig. Voor de vergaderingen overlegt Nanta steeds meer met zijn dochter en dus wordt zij zijn belangrijkste adviseur !

    Door de Rijksgroten wordt Chik Di Tiro benoemd tot Eerste Minister. Hij reist rond, niet alleen door het gebied grenzend aan het door de Nederlanders bezette gedeelte van Groot-Atjeh. maar voert ook besprekingen in het bezette Kota Radja, de Nederlanders hadden niets in de gaten. Overal roept Chik Di Tiro op tot de Heilige Oorlog (Jihad) tegen de Nederlanders. Ook Chik Di Tiro blijkt, net als de weer teruggekeerde Habib Abdoerrachman el Zahir, in staat om bijna alle oeléëbalangs en oelama's te verenigen in de Jihad tegen de kaphees, de ongelovige Nederlanders.

    In de strijd tegen de Nederlanders bleken achteraf alleen Habib Abdoerrachman el Zahir, Chik Di Tiro en Teuku Umar over voldoende overtuigingskracht en dus charisma te bezitten, om de Atjehers te verenigen in de strijd tegen de koloniale agressors. Tjoet Nja Din had deze capaciteiten ook, alleen als vrouw kon zij niet aktief zelf deelnemen aan de strijd, wat zij diverse keren heeft betreurd. De Nederlanders hebben achteraf nogal wat geluk gehad bij het bestrijden van Habib Abdoerrachman el Zahir, Chik Di Tiro, Teuku Umar en Tjoet Nja Din.

    De gevluchte oelama van het door de Nederlanders veroverde Longbata heeft het geluk gehad dat hij al zijn in de moskee bewaarde rijkdommen heeft kunnen redden. De moskee schatten worden gebruikt om voedsel te kopen voor de ook gevluchte bevolking, de rest wordt in bewaring gegeven bij Polim, ver weg in het Zuiden. Polim wordt hierdoor steeds machtiger en gebruikt steeds meer de titel Panglima, de eretitel voor de belangrijkste militaire commandant.
    Vanaf nu moet hij dus worden genoemd Panglima Polim.
    Ook in de ogen van de Nederlanders wordt Panglima Polim, daar in het bergachtige, geheimzinnige zuiden, steeds belangrijker, want ook de familie van de aan cholera overleden Sultan was naar het gebied van Panglima Polim gevlucht.
    Panglima Polim krijgt onenigheid met Baït, want die heeft uit de Dalam de Rijkssieraden meegenomen. Baït staat erop dat hij deze blijft bewaken.

    In het gebied van Panglima Polim wordt door de Rijksgroten een nieuwe Sultan, Muhamad Daud, geinstalleerd in de aloude grote moskee van Indrapoeri, midden in het hart van Panglima Polim 's Bovenlanden. Vlak na de installatie wordt overlegd hoe Longbata te heroveren, meer dan 10.000 rakans staan klaar.

    Maar onverwachts doen de Nederlanders een aanval op het gebied van Nanta en nu deze keer niet vanuit Merassa in het Noorden, maar vanuit het Oosten. Tjoet Nja Din moet vluchten, haar vader geeft haar alle sieraden en andere waardevolle zaken mee op haar vlucht. Later moet ook haar vader, Nanta Setia, vluchten uit zijn gebied, bij het verlaten van 6 Moekims, wordt langdurig gehuild om het verlies.

    Op Nieuwjaarsdag 1876 nemen de Nederlanders Pakan Bada in, de woonplaats van Nanta Setia, Ibrahim en Tjoet Nja Din. Ook hier gebeurt wat Multatuli al aangaf : "Ja, 't dorp was veroverd door Nederlandsche soldaten, en stond dus in brand". Ook het huis van Nanta Setia en dat van Ibrahim en Tjoet Nja Din gaan dus in vlammen op....

    Op 17 januari 1876 wordt de Slag om de Blang Kala Pas door de Atjehers verloren. Zowel 6 Moekims als 4 Moekims worden in zijn geheel door de Nederlanders veroverd. De Nanta's kunnen niets anders doen dan te vluchten naar het gebied van Panglima Polim.

    Ondertussen heeft Generaal-Majoor van Pel besloten om ook het gebied van 9 Moekims te "zuiveren van de onverzoenlijken", zoals dit vanaf nu door de Nederlanders zou worden genoemd.....
    Met het veroveren en natuurlijk verbranden van de hoofdplaats Pagar Ajer en vele, vele andere dorpen van 9 Moekims is op 7 februari 1876 ook 9 Moekims "gezuiverd". In een paar weken heeft Generaal-Majoor van Pel zowel 6 Moekims als 9 Moekims veroverd en verwoest.

    Ibrahim trekt met Nanta's rakans naar 4 Moekims in het Westen. Samen met zijn broer en diens rakans trekken ze al vechtend weer door de Blang Kala pas.

    De oelama van Longbata en Habib Abdoerrachman el Zahir zijn ondertussen naar Chik di Tiro in Pidië getrokken. Met een grote krijgsmacht trekken ze gezamenlijk vervolgens dwars door het door de Nederlanders bezette gebied naar Panglima Polim. Onderweg sluit Baït zich bij hen aan.
    De Nederlanders moeten vluchten en verschansen zich in Kota Radja. op 19 mei 1876 schrijft een journalist in Batavia : "Uit Atjeh vernemen wij hoogst ongunstige berichten"

    Het verwachte Atjehse offensief blijft echter uit : de regen valt zo overvloedig dat het gehele land in een modderpoel veranderd. Zowel onder de Nederlanders als de Atjehers breekt cholera en dysenterie uit. De Nederlanders verliezen in deze maanden bijna 25% van hun manschappen aan beide ziektes, aan Atjehse kant zal het niet beter zijn geweest.

    In Batavia schrijft men in augustus 1876 : "De bende van Habib Abdoerrachman el Zahir schijnt te verloopen".

    Volgens de Nederlanders zijn er bovendien "symptomen van verzetsmoeheid in de omgeving van Polim, maar Polim biedt aan deze invloeden nog hevige weerstand. Teuku Baït zou zich best willen onderwerpen, maar zijn volk behoort tot de fanatiekste en krijgszuchtigste elementen, bovendien is Baït's zuster gehuwd met Habib Abdoerrachman el Zahir. Het volk van Teuku Poerba, het Hoofd van 9 Moekims, schijnt na de tuchtiging van hun gebied niet meer zoo afkerig te zijn voor toenadering, alleen Teuku Poerba is vooralsnog volkomen onbetrouwbaar en staat geheel openlijk in kontakt met de ophitsende geestelijkheid rondom Chik di Tiro in Pidië. Ook hult Teuku Poerba nog steeds met de uitgeweken Onverzoenlijken, de imam van Longbata, Teuku Nanta en onze gezworen vijand, zijn schoonzoon Teuku Ibrahim."

    In de periode augustus 1876 tot juni 1878 heerst er een gedwongen rust in Atjeh. De cholera epidemie wil maar niet wijken. In Mon Tassik, in de bovenlanden van Polim, lukt het Habib Abdoerrachman el Zahir om allen te verenigen rondom Sultan Muhamad Daud, die door de Nederlanders hardnekkig de pretendent-sultan wordt genoemd, want Sultan Muhamad Daud is immers nog niet in Kota Radja ingehuldigd....
    Ook Teuku Umar, de halfbroer van Tjoet Nja Din, ook aanwezig in Mon Tassik, krijgt steeds meer invloed. Gezamenlijk wordt een nieuwe strategie uitgedacht voor de herovering van de Dalam en de Missigit Beitoe Rahman. Al de resterende waardevolle bezittingen van de oelama van Longbata en die van Nanta Setia worden gebruikt voor de aankoop van wapens. Zowel Ibrahim als Umar voeren, volgens de Nederlanders, "strooptochten" uit in het, zoals de Atjehers dat noemen, Verloren Land. Tijdens een van deze akties sneuvelt Generaal-Majoor van Pel, "verraderlijk" aldus Batavia.

    van pel

    Generaal-Majoor van Pel


    Chik di Tiro reist door het land, ook in het Verloren Land en roept niet alleen op tot de Jihad, maar zamelt ook zeer veel geld in.

    Generaal Eenoog

    De opvolger van Generaal-Majoor van Pel, wordt Generaal van der Heyden, die later een oog zal verliezen tijdens de vergeefse belegering van Batè Ilië, en dus prompt door Dokarim Generaal Eenoog wordt genoemd.
    Juni 1878 trekt Generaal Eenoog voor een expeditie weg uit Kota Radja, op weg voor de "tuchtiging van enkele roerig geworden Onderhorigheden". De Atjehers grijpen de kans : van alle kanten breken de "vijandelijkheden" uit. De Nederlanders lijken overal te worden teruggedreven! De huizen van Nederlandse bestuursambtenaren worden in brand geschoten, "iedereen" vlucht naar Kota Radja. Slechts twee dagen lijkt het alsof het Atjehse offensief succes heeft, maar dan onderneemt Generaal Eenoog een strategische meesterzet, hij stopt met de "tuchtiging" en in één geforceerde dagmars lukt het hem om de wegen naar Mon Tassik, waar alle Atjehse voorraden liggen, af te sluiten. Hij hoeft niets anders te doen, dan ervoor te zorgen dat deze voorraden niet meer bereikt kunnen worden.

    De eersten, die moeten opgeven, zijn de 2000 rakans onder leiding van Habib Abdoerrachman el Zahir!
    Op 29 juni 1878 leiden de Nederlanders nog een groot verlies toen zij probeerden de strategisch belangrijke Glitaroenpas te heroveren, die werd verdedigd door Ibrahim en zijn broer. De Nederlanders moesten zich terugtrekken, maar bleven de wegen naar Mon Tassik beheersen. Vlak na deze nederlaag van de Nederlanders kwam Habib Abdoerrachman el Zahir "uit de bergen afgedaald" en gaf zich over aan de (verbaasde) Nederlanders, zijn rakans vluchten weg in opperste verwarring, naar Ibrahim.

    Het is nooit duidelijk geworden waarom Habib Abdoerrachman el Zahir zich plotseling persoonlijk ging overgeven. De slag was weliswaar verloren, maar de strijd was nog niet definitief beslist. De rakans konden inderdaad niet bevoorraad worden, maar de Nederlanders durfden aan de andere kant het gebied van Panglima Polim niet binnen te trekken.

    Terwijl Habib Abdoerrachman el Zahir zich had overgegeven, vielen de Nederlanders de Glitaroenpas weer aan en nu met succes. De door de overgave van hun Heilige Habib Abdoerrachman el Zahir en opperste Regent, gedemoraliseerde rakans vluchten in verwarring weg. Bij dit chaotische gevecht verloren zowel Ibrahim als zijn broer het leven. De Nederlanders waren echter ook te zeer verzwakt om door te zetten en trokken zich tijdens het luwen van de strijd terug, niet wetend dat Ibrahim en zijn broer, beiden belangrijke aanvoerders, waren gesneuveld en dat de overwinning voor het grijpen had gelegen.

    Op 13 oktober 1878 onderwerpt Habib Abdoerrachman el Zahir zich met veel ceremonieel aan de Nederlanders in Kota Radja. Hij wordt met 7 saluutschoten ontvangen en is gekleed in het officiële Atjehse staatskleed met de opgespelde Ster van de Turkse Orde van Osmanië op de borst.
    Het politieke succes wordt nog groter als blijkt dat Habib Abdoerrachman el Zahir ook bereid blijkt te zijn naar Mekka te vertrekken, mits hij jaarlijks vanuit Batavia een jaargeld krijgt van $10.000,=, voor die tijd een gigantisch bedrag. Op 24 november 1878 wordt hij inderdaad, inklusief familie en wat volgelingen, door het Nederlands oorlogsschip Hr. Ms. Curaçao naar Djeddah overgebracht.

    daar ligt een ijzeren zeekasteel
    dat heet de "Curaçao"
    waarmee die brave Habib
    naar Mekka varen zou
    nu zingt hij vrolijk "falderaldera"
    voor dit gouvernement
    zoo'n duizend dollars in de maand
    ben ik geen knappe vent?

    Spotliedje gemaakt door echtgenoot van Mata Hari, toen als luitenant in Atjeh, met Mata Hari. Lied werd "graag en dikwijls gezongen"

    Voor zijn vertrek en ook tijdens zijn verblijf in Mekka stuurt hij vele brieven naar Atjeh met de oproep onderhandelingen aan te gaan met de Nederlanders. De Nederlanders zijn gewend aan dit soort omkopingspraktijken en dachten een goede slag geslagen te hebben. Helaas, denken de andere oeléëbalangs en oelama's er anders over. Habib Abdoerrachman el Zahir is in hun ogen iemand die de goede zaak heeft verraden en dus niet in het paradijs zal komen, dankzij de kaphees Nederlanders. En voeren zelfs wraakakties uit om het verraad van Habib Abdoerrachman el Zahir te wreken.

    In 1884 schrijft Habib Abdoerrachman el Zahir nog een brief vanuit Mekka aan het Gouvernement met het voorstel een Mohammedaanse Regent aan te stellen over Atjeh. De bijgeleverde profielschets past toevallig geheel op Habib Abdoerrachman el Zahir.........., de Nederlanders bedanken beleefd voor het advies van Habib Abdoerrachman el Zahir, die de brief ook nog heeft ondertekend als "Rijksbestierder van het Gouvernement Atjeh". Men is veel te blij dat hij ver weg zit in Mekka. Tot op de huidige dag wordt Habib Abdoerrachman el Zahir min of meer doodgezwegen in de Atjehse geschiedenis en terecht!

    Tjoet Nja Din is ontroostbaar over het verlies van haar geliefde Ibrahim.
    In deze verwarrende dagen, het mislukken van het Grote Offensief, de overgave van de Heilige Habib Abdoerrachman el Zahir, de geruchten over een overgave van Baït, geruchten over een grote aanval op Panglima Polim en het feit dat veel gevluchte bewoners uit het Nanta gebied weer naar huis teruggaan om te leven onder de kaphees, doet haar de eed zweren dat zij de eerste de beste man zal trouwen die de dood van haar echtgenoot wil wreken. En plotseling staat daar dan Teuku Umar, die vol wraak gevoelens bij haar vader om raad komt. Teuku Umar is ernstig gewond tijdens de strijd en Tjoet Nja Din krijgt hem zo ver om in haar huis te genezen, terwijl zij hem verzorgt.
    Voor Teuku Umar is Tjoet Nja Din een belangrijke partij, (zijn waarschijnlijk derde vrouw), waardoor hij nog belangrijker zal gaan worden in de ogen van de Atjehers. Volgens de overlevering nam Teuku Umar van niemand iets aan, behalve van Tjoet Nja Din.

    In juli 1878 begon de veldtocht van Generaal Eenoog door de bovenlanden van Polim, maar trok en passant ook door het gebied van Baït.
    En inderdaad, enkele uren na de ceremoniele overgave van Habib Abdoerrachman el Zahir in Kota Radja meldt ook Baït zich in Kota Radja. Baït krijgt een "onderwerpingshonorarium" van $500,= en wordt vervolgens, tegen zijn zin, verbannen naar de Molukken! De troepen van Generaal Eenoog plunderen zijn huis en vinden de Atjehse Rijkssieraden.....die vervolgens triomfantelijk naar de resten van de Dalam worden gebracht. Ze zullen later worden ondergebracht in de Missigit Beitoe Rahman.

    Het lukt de Nederlanders om in de bovenlanden van Polim de grote moskee van Indrapoeri te veroveren, verdedigd door de oelama van Longbata en zijn volgelingen. De "verraderlijke" oeléëbalang van Mon Tassik geeft zich over en dus wordt Mon Tassik niet verbrand. Andere dorpen worden na een heftige strijd veroverd en dus verbrand. Panglima Polim verliest zijn 24 kanonnen en hiermee eindigt de "tuchtiging" van Sagi 22 en vervolgens krijgt Sagi 26 een "zelfden beurt" en is volgens Batavia de oorlog volbracht en kan "land en volk den welvaart worden gebracht"

    In Batavia wordt een monument opgericht ter herinnering "Aan de grondleggers van het Nederlandsch gezag op Noordelijk Sumatra, 1873-1880"

    Atjeh_monument_Batavia

    ......bovenaan het devies: 'Schitterend handhaafden zee-en landmacht de eer des Lands'........


    Velen hadden zich "onderworpen", maar niet iedereen.......Nanta Setia niet, Chik di Tiro niet, Panglima Polim niet en dus ook Tjoet Nja Din en Teuku Umar niet en daar zouden de Nederlanders spijt van krijgen. Weliswaar werd als "verzoening" door Generaal Eenoog op 9 oktober 1879 de eerste steen voor de Missigit Beitoe Rahman gelegd, maar de "rust in het woelige gebied" was slechts van korte duur!

    Toen Atjeh "voldoende was geslagen en het tijdstip der verzoening was aangebroken", trokken de Nederlanders zich terug in hun geconcentreerde linie, in afwachting van de vrijwillige overgave van de overige "onverzoenlijke bendeleiders".

    En nu volgt weer zo'n fraaie bewijsvoering die volledig van het omgekeerde uitgaat: wat een prachtige redenering, een juweeltje........

    'In plaats van onze wegen en bruggen en spoorwegen in zijn land te waarderen, in plaats van dankbaar te zijn, dat wij het oude krot van een moskee Longbata sloopten en met het puin ervan het drassige terrein netjes ophoogden; in plaats van begrip te tonen voor onze liberale geste omtrent de cadeau gedane nieuwe Grote Moskee, waarmee wij toch duidelijk getoond hadden hun alleen maar te vuur en te zwaard onze Koloniale Orde te hebben willen opdringen en niet eens onze Christelijke Ethiek, kortom, in plaats van onze bedoelingen, die ondanks de door ons begane vernieling van hun huizen, erven en aanplanten, goed waren, te waarderen en te honoreren met loyale onderworpenheid, verloochenen de Atjehers hun afkeurenswaardige aard niet, maar toonden onmiddellijk, toen zij zagen, dat wij ons ontwapend hadden, hun trouweloosheid en valsheid. Zij begonnen weer onze patrouilles, convooien en posten te overvallen, zij vernielden onze spoorlijnen, onze bruggen en onze telegraafdraden, allerwege groeide het Verzet en wij konden dat met ambtenaren en Politie niet keren en toen werd het een anarchie in Atjeh als het nog zelden was geweest. Zelfs vielen zij, die wij nu "De Vijand" noemen, het land binnen en deden een greep naar hun oorspronkelijk gezagsgebied, totaal negerend dat wij officieel de Verzoening hadden ingevoerd'



    Na zijn huwelijk met Tjoet Nja Din doet Teuku Umar een inval in de 4 Moekims en verovert ook weer een groot gedeelte van 6 Moekims, waar de door de Nederlanders aangestelde Nèh bestuurder nog net op tijd kan vluchten naar Kota Radja. Alles wat met de Nederlanders te maken heeft, wordt door de woedende, wraaklustige bevolking van Nanta's land, verwoest.
    Overal waar Teuku Umar met Nanta's rakans opduikt, kiest de bevolking zijn kant en steunt hem met geld, voedsel en rakans.
    Teuku Umar ontwijkt de Nederlandse troepen, maar valt hen alleen aan als het hem uitkomt. Pas na heel veel moeite lukt het de Nederlanders hem terug te drijven door de Kloof van Beradin.

    De achtergebleven bevolking blijft "opstandig" en ook de Nederlanders beseffen dat het slechts een kwestie van tijd is voordat Teuku Umar weer terug komt, want steeds meer mannen trekken met hun wapens door de Kloof van Beradin.

    De jonge Sultan Muhamad Daud is ondertussen meerderjarig geworden en wordt plechtig ingehuldigd in de moskee van Indrapoeri in de Bovenlanden van Polim, waar de Nederlanders zich na de "tuchtiging" allang hadden teruggetrokken, want zo waren de Nederlanders dat gewend : na een "tuchtiging", waagde de bevolking het niet meer om "oproerig" te worden. Het was alleen nog zaak om de "onderworpen inlanders" tegen enkele "onverzoenlijke bendeleiders" te beschermen. Maar in Atjeh werkte deze aanpak niet. Het Atjehse volk was "trouweloos en vals", want zij wilden niet "tot beschaving worden gebracht"

    En toen gebeurde er in de ogen van de Atjehers een wonder : Generaal Eenoog vertrok en de Nederlanders trekken zich terug in de geconcentreerde stelling !! Alle oelama's, met Chik di Tiro voorop, leggen dit uit als de hand van Allah die de ongelovigen gestraft had. Volgens Batavia echter is de oorlog volbracht en kan "land en volk den welvaart worden gebracht" en wordt het bovenstaande monument opgericht ter herinnering "Aan de grondleggers van het Nederlandsch gezag op Noordelijk Sumatra, 1873-1880"

    Chik di Tiro roept weer op tot de Jihad en weer wordt geld ingezameld. Alle verdreven Atjehers keren terug naar hun woonplaatsen en ontdekken dat de Nederlanders zeer veel verwoest hebben.
    Ook Nanta Setia en Tjoet Nja Din trekken terug naar huis, door de Kloof van Beradin, waar nu geen Nederlander meer te bekennen is. Teuku Umar wacht hen op bij hun vernielde huis in het kompleet geruineerde Pakan Bada. Zij moeten gaan wonen in het minder verwoeste Lampisang, met hun dochtertje Tjoet Gambang. Negen jaar was Tjoet Nja Din niet meer thuis geweest en dan tref je dit aan.....Iedereen kwam hulde brengen aan de nu oude Nanta Setia en zijn dochter Tjoet Nja Din gehuwd met de held Teuku Umar.

    In 1887 lukt het Chik Di Tiro zelfs om met 400 volgelingen binnen de geconcentreerde stelling te komen. Met grote moeite worden ze verdreven. De Nederlanders zijn totaal verrast, want die dachten dat Chik Di Tiro en zijn volgelingen alleen maar kwamen om te bidden, wat ze ook hadden gedaan, waarna ze echter wel de Nederlanders aanvielen.

    Chik Di Tiro schrijft zelfs brieven naar de Nederlanders met de eis dat zij zich bekeren tot de Islam, waarna vredesonderhandelingen zouden kunnen beginnen !! Een van de brieven belandt dus in Den Haag en wordt bestudeerd door de Gereformeerde Minister van Koloniën die de bekering juist net andersom wilde......Maar voegde hij toe : Laat geen dwang in de Godsdienst zijn...

    Twee werelden die botsten

    Het belangrijkste wapenfeit tegen Chik Di Tiro is het afbranden van de Moskee waar hij vaak kwam en dat was nu net een aktie die de emoties nog verder deed oplopen. Chik Di Tiro sterft in 1891, nadat hij zijn heilige opdracht heeft overgedaan aan zijn oudste zoon, die echter in 1896 tijdens de akties tegen Teuku Umar sneuvelt. De familie Di Tiro blijft "onverzoenlijk".
    Tot in de jaren 1920 blijven de Nederlanders rapporteren over "Di Tiro bendeleiders"die "neergelegd" zijn na "weigering om zich te verzoenen". (zie : tot 1942 "alles onder controle en gepacificeerd")

    Ook in 1891 sterft de oude Panglima Polim, hij wordt opgevolgd door zijn zoon, de jonge Panglima Polim die we nog later tegen zullen komen.

    De familie Nèh is Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw geworden en is volgens de Nederlanders volkomen "onderworpen". Merassa wordt rechtstreeks bestuurd door het gouvernement.
    Baït krijgt amnestie en regeert weer over de 7 Moekims.
    De oude, nu blinde Nanta Setia wil graag dat zijn nakomelingen oeléëbalang van de 6 Moekims blijven en het gouvernement doet weer een slimme zet : de broer van Tjoet Nja Din, die met het "povere verstand", wordt door de Nederlanders aangesteld als oeléëbalang van de 6 Moekims, de oude Nanta Setia gaat hiervoor zelfs naar Kota Radja.

    Kortom, het is een verwarrende tijd, niemand lijkt meer in staat tot een grote militaire aktie, de status quo wordt gehandhaafd, beide partijen leven naast en door elkaar, wat vaker voor komt in een koloniale samenleving. Alleen Teuku Umar roert zich.......

    De dochter van Tjoet Nja Din en Teuku Umar, Tjoet Gambang, huwt met Teuku Majet Di Tiro, een Oelama uit de "onverzoenlijke" familie Di Tiro.
    Na de bruiloft komt Teuku Umar weer in aktie : hij verovert het schip de "Hok Canton" en bedingt van het gouvernement een groot losgeld voor de gekidnapte machinist en diens vrouw : hij krijgt een losgeld van 25.000 rijksdaalders! Het bedrag wordt verdeeld onder zijn volgelingen en ook de familie Di Tiro en de Sultan krijgen een deel.
    De dichter Dokarim krijgt $15,00 en voegt de heldendaad toe aan zijn Hikajat Prang Kompeuni.
    De familie Di Tiro nodigt Teuku Umar met Tjoet Nja Din en dochter Tjoet Gambang uit voor een groot feestmaal.

    De Sultan benoemt Teuku Umar tot "oeléëbalang van de Zee van het Westen" en tot Inner van de Sultansrechten op de peperhandel.
    Teuku Umar maakt korte metten met de corruptie van de plaatselijke Hoofden, de Nederlanders missen plotseling zeer veel geld uit de peper opbrengst. Vanzelfsprekend wordt ook Teuku Umar door zijn ambt van Inner van de Sultansrechten een rijk man.
    Het gouvernement komt in aktie en blokkeert alle peper uitvoer en dus drogen de inkomsten van o.m. Teuku Umar op. Het gezag van Teuku Umar daalt, want de geldstroom naar bevriende relaties wordt gestopt.

    En dan doet Teuku Umar iets wat anderen ook al hadden gedaan : hij vraagt aan de Nederlanders wat zij bieden als hij zich zou "onderwerpen". Als reaktie ontvangt hij een lange lijst met boetes die hij eerst moet betalen, zoals teruggave van het losgeld van 25.000 rijksdaalders i.v.m. het kdnappen van de machinist en diens vrouw van de "Hok Canton".

    Teuku Umar is diep beledigd en onderneemt, samen met de Di Tiro's, een felle aktie tegen de Nederlanders. Op allerlei plaatsen wordt tegelijkertijd de geconcentreerde linie aangevallen, de Nederlanders kunnen het maar net redden dankzij hun ver reikende kanonnen. Vanuit Batavia worden alle havens van Atjeh geblokkeerd, alle kontakten tussen binnen en buiten de Linie worden verbroken.

    Het blijft onduidelijk waarom, maar weer zoekt Teuku Umar kontakt met de Nederlanders. Die laten nu hun financiele eisen vallen, maar vragen nu om een aktie ten gunste van de Nederlanders.
    Tegelijkertijd bedacht men in Atjeh het concept van de oorlog uit te laten vechten door aan de Nederlanders loyale Atjehers, ook dit was in de Nederlandse koloniale politiek vaak gelukt.

    De oudste zoon van Chik Di Tiro, Teuku Mat Amin, verblijft met zijn vaders rakans in het gebied van de Nanta's. Anders dan zijn vader schrikt Teuku Mat Amin er echter niet voor terug om de bevolking te terroriseren. Anders dan zijn vader neemt hij ongevraagd geld en voedsel mee en onderneemt weinig tegen de Nederlanders.
    De bevolking komt klagen bij Tjoet Nja Din en Tjoet Nja Din vraagt Teuku Mat Amin om te vertrekken uit haar gebied. Teuku Umar is immers prima in staat om vanuit dit gebied te Nederlanders te bestoken! Bovendien verdenken de oelama's Teuku Mat Amin ervan zijn vader, de Heilige Chik Di Tiro te hebben vergiftigd. Teuku Mat Amin weigert om te vertrekken en dus wendt Tjoet Nja Din zich tot haar man Teuku Umar om hulp.
    Teuku Umar doet een slimme zet en meldt aan de Nederlanders, buiten Tjoet Nja Din om, dat hij Teuku Mat Amin gaat verdrijven en dit wordt door de Nederlanders geaccepteerd als "proeve van geschiktheid".

    De Sultan tracht nog de eenheid te bewaren, maar het is te laat. Teuku Umar gaat het gevecht aan met Teuku Mat Amin en wordt hierbij gesteund door artillerie beschietingen vanuit de geconcentreerde linie. Als Teuku Mat Amin uit 6 Moekims is verdreven naar 9 Moekims blijft Teuku Umar ze achtervolgen, weer met steun van de Nederlandse artillerie. De plaatselijke, al door de Nederlanders gesteunde oeléëbalangs, sluiten zich aan bij Teuku Umar en gezamenlijk wordt Teuku Mat Amin verdreven naar het gebied van Teuku Baït. Zo wordt geheel Sagi 25 "gezuiverd".
    Een nieuwe zet van Teuku Umar volgt : hij stelt het gouvernement voor om één keer een rondreis door het gebied te maken als bewijs van goede trouw. Ook Tjoet Nja Din wist niet wat zij zag : een triomfantelijke tocht door de Nederlanders vanuit de linie, ook door haar gebied onder bescherming van Teuku Umar. Zowel in Batavia als in Atjeh vraagt men zich af, hoe is dit mogelijk en hoe gaat dit verder.

    De reeds aan de Nederlanders onderworpen oeléëbalangs, waaronder de familie Nèh, besluiten ook tot het stellen van een daad ; zij stellen de Nederlanders voor om Sagi 26 te "zuiveren". Dit mag, maar alleen met hulp van Teuku Umar! Pro forma doet Teuku Umar mee, maar laat het merendeel van de gevechten aan de rakans van o.m. Nèh over die zonder de steun van Teuku Umar het niet redden tegen de "bendes" van Teuku Mat Amin. Teuku Umar krijgt ondertussen steun van de oeléëbalangs van de Westkust. Vlak voor dat Teuku Mat Amin het zou gaan winnen, drijft Teuku Umar, met hulp van zijn nieuwe bondgenoten, hem terug. De rakans van o.m. Nèh vluchten alle kanten op, want er stonden nog veel oude rekeningen open. Na dit gevecht is het voorgoed voorbij met de macht van de familie Nèh.

    En hoe reageren de Nederlanders? Zij zijn opgetogen over de akties van Teuku Umar en nu bieden zij Teuku Umar aan om zich te onderwerpen, zonder voorwaarden vooraf en zonder financiele eisen. En Teuku Umar gaat zich onderwerpen. Volgens de overlevering pas na een felle woordenwisseling met zijn vrouw Tjoet Nja Din. Volgens sommige huidige historici wist Teuku Umar echter toen al, wat hij later ging doen : de Nederlanders bestrijden met de door hen getrainde rakans en wapens.

    Zonder Tjoet Nja Din, maar met zijn andere vrouwen, reist Teuku Umar naar Kota Radja. Op 30 september 1893 legt hij in de Missigit Beitoe Rahman de eed van trouw af aan de Nederlanders. Velen moeten hierbij weer denken aan 13 oktober 1878 als Habib Abdoerrachman el Zahir zich onderwerpt

    Enige tijd later overlijd Nanta Setia, de vader van Tjoet Nja Din en dus moet vanaf nu Tjoet Nja Din het doen zonder adviezen van haar vader. Tjoet Nja Din weet niet wat zij met haar echtgenoot Teuku Umar aan moet : Teuku Umar een verrader ?

    Van de Nederlanders krijgt Teuku Umar de titel : panglima prang besar (opperste krijgsheer van het gouvernement). Zelf noemt hij zich Teuku Djohan Pahlawan (Johan de Heldhaftige). Meerdere succesvolle akties van Teuku Umar volgen.
    De dankbare Nederlanders bouwen zelf voor hem een stenen huis in Pakan Bada, ingericht met dure Atjehse en Nederlandse gebruiksvoorwerpen. Volgens de overlevering wordt echter één kanon in Kota Radja permanent op zijn huis gericht.....

    Op 1 januari 1894 krijgt Teuku Umar zelfs toestemming om een eigen leger op te richten geheel uitgerust en getraind door de Nederlanders. Een aantal akties worden gedurende 2 jaar door Teuku Umar samen met de Nederlanders uitgevoerd TOT HET EINDELIJK ANDERS GING.

    In plaats van verder pacificeren voor het Gouvernement keert Teuku Umar zich nu, (mogelijk geinspireerd door zijn vrouw Tjoet Nja Din, maar tot op de huidige dag weet niemand precies waarom) uitstekend uitgerust, tegen de Nederlanders. Alle Atjehse oeléëbalangs kiezen weer tegelijkerheid voor de partij van Teuku Umar. Gelukkig voor de Nederlanders durft Teuku Umar de geconcentreerde linie niet aan te vallen....

    Vanuit de linie worden achtereenvolgens de volgende telegrammen naar Batavia gestuurd : "er lopen geruchten"..........."gevreesd wordt dat".........."geruchten helaas juist gebleken"

    Het spreekt vanzelf dat de gouverneur van Atjeh die Teuku Umar tegen allerlei waarschuwingen in, had gesteund, eervol (!) wordt ontslagen.
    Officieel heet het nog dat Teuku Umar weigert op te trekken in een voor hem onbekend gebied, hij had om eigen artillerie gevraagd en die had men toch echt niet kunnen missen...wat had Teuku Umar gedaan als hij wel de beschikking had gehad over artillerie ?? Volgens de populaire pers is Teuku Umar beledigd omdat hem een Militaire Willemsorde is geweigerd!

    Voor het eerst bezit een Atjehse aanvoerder over een Westers getraind leger met "880 geweren, 25.000 patronen, 500kg buskruit, 5000kg lood en nog een bedrag van $18.000". De Nederlandse administratie wist het precies, want elke verschoten kogel moet worden verantwoord, liefst onder inlevering van de weer terug gevonden huls.

    De bovengenoemde gebeurtenissen hebben plaats tijdens het Paasweekend van 1896, heel Nederland houdt de adem in. De laatste kontakten met Kota Radja zijn geweest op Goede Vrijdag, pas op de dinsdag na Pasen werkt de telegraaf weer..... Tot opluchting van iedereen in Batavia en in Nederland, is "Kota Radja niet gevallen". Teuku Umar heeft het niet aangedurfd om Kota Radja rechtstreeks aan te vallen, want hij had geen kanonnen, aldus de officiele geschiedschrijving. Kortom, niemand weet waarom Teuku Umar de kans niet benut heeft, want hij was uitstekend op de hoogte van de situatie binnen de geconcentreerde linie en dus ook van de situatie in Kota Radja, een gemiste kans??

    In de weken na Pasen wordt in Nederland gezongen :

    Teuku Umar die moet hangen
    Aan een touw, aan een touw
    Teuku Umar en zijn vrouw


    Generaal_Vetter

    De Nederlanders aarzelen niet, de legercommandant Vetter, de held van Lombok, trekt met een grote legermacht op naar Atjeh.

    Een van de officieren heet Van Heutsz...

    Vanuit zee wordt het gebied van de Nanta's meteen zwaar gebombardeerd.

    Tijdens de eerste Nederlandse aanval op Teuku Umar komt in Kota Radje het volgende telegram aan van Wilhelmina en Emma :

    Tijdens Diner gisteren
    brachten hulde krijgsmacht Atjeh
    geestdriftig toegejuicht
    met beste wenschen en waardering
    volle vertrouwen
    volgen troepen en operaties


    Wilhelmina en Emma


    Tjoet Nja Din moet weer vluchten, samen met haar dochter Tjoet Nja Gambang. Zeker van de overwinning van haar man en vader Teuku Umar, want die is toch de eerste met een modern leger, zelfs gekleed in Nederlandse militaire uniformen!

    Teuku Umar in KNIL uniform

    Teku Umar (links vooraan) in gedeeltelijk Nederlands uniform


    Alle ons nu bekende Atjehse oeléëbalangs en oelama's sluiten zich bij Teuku Umar aan : de Iman van Longbata, Baït, Panglima Polim, Sultan Muhamad Daud, alleen Nèh ontvlucht Atjeh.
    De echtgenoot van dochter Tjoet Nja Gambang, de oelama uit de famile Di Tiro, Teuku Majet Di Tiro roept op tot de Jihad. Zelfs de door Teuku Umar verdreven zoon van de Heilige Chik Di Tiro, Teuku Mat Amin, wordt weer in het Atjehse kamp uitgenodigd.

    Teuku Umar is de grote leider, samen met zijn broers en Tjoet Nja Din bepaalt hij de strategie, want hij weet het meeste van de Nederlanders!

    De Atjehers trekken zich terug uit Lampisang, de woonplaats van Tjoet Nja Din en Teuku Umar. Vanuit Kota Radja wordt diverse keren met het speciaal op Teuku Umars huis in Pakan Bada gerichte kanon, geschoten. Later blijkt allemaal mis !

    Op 23 en 24 mei 1896 worden zware gevechten geleverd rondom o.m. Pakan Bada en Lampisang. Beide huizen van Teuku Umar worden uiteindelijk door de Nederlanders veroverd en uiteraard met de grond gelijk gemaakt, de genie komt er aan te pas! De hele omgeving wordt 'geraseerd', het is de bedoeling dat niets meer zal herinneren aan Teuku Umar. In triomf worden de, ook persoonlijke, bezittingen van Tjoet Nja Din naar Kota Radja vervoerd, waar ze veel later in een museum terecht zullen komen. Twee dagen later hebben de Atjehers, dat wat er over is van Pakan Bada en Lampisang, weer heroverd.

    Drie jaar duurt de strijd met de Nederlanders, waarbij vooral 'Van Heutsz zijn sporen verdiend'. Beide partijen zijn aanvankelijk even sterk, uiteindelijk krijgen de Nederlanders echter de overhand. Samen met Teuku Umar wordt Tjoet Nja Din door de Nederlanders opgejaagd. Echt militair verslagen worden zij niet, maar een openlijke veldslag met Van Heutsz gaat Teuku Umar uit de weg, hij beperkt zich tot 'verrraderlijke overvallen', waarbij veel Nederlandse militairen sneuvelen.

    Het tij keert zich definitief als de op voorstel van de Atjehse Openbare Aanklager bij de rechtbank in Kota Radja, de Atjehse (!) hoofddjaksa Mohamad Arif, gepropageerde 'Marechaussee' 'massaal' wordt ingezet. Het korps Marechaussee wordt opgericht in 1890 met als doel kleine politie eenheden van ca 20 Inlandse geselekteerde mannen onder leiding van een Europese sergeant en een meestal Ambonese korporaal.

    Van Heutsz breidt na mei 1896 het aantal Marechaussee brigades sterk uit tot ca 1200 man, dus in totaal zo'n 60 onafhankelijk van elkaar kunnen operende brigades. Naast 'schoenen' worden ze ook bewapend met het nieuwe 'M95 repeteergeweer' en een 'klewang.'

    marechaussee egel positie

    De marechaussee in egel positie, links de M95, rechts de klewang


    Van allerlei onverwachte zijden worden de Atjehers nu kontinu aangevallen en bijna permanent achtervolgd door een groot aantal marechaussee brigades. Iedere marechaussee brigade is self-supporting en is ook in staat om onderweg voedsel en drinken te bemachtigen. De Atjehers waren in de jaren 1870 / 1880 het meest bedreven met de klewang, de gouvernements marechaussees zijn het nu ook en hebben zelfs betere klewangs en een repeteergeweer.

    Het gebied Groot-Atjeh oftewel de 3 Sagi's wordt zo grondig verwoest en ontvolkt door de rondtrekkende marechaussee brigades onder leiding van Van Heutsz dat in de jaren 1930 bezoekers het nog steeds hadden over een 'naargeestig en zoo dun bevolkt gebied'. De 3 eens welvarende Sagi's zijn veranderd in een troosteloos gebied. Er wordt beweerd dat het land er nooit meer bovenop is gekomen. De bevolking woont sindsdien in het kustgebied ten zuiden van de voormalige 3 Sagi's.

    Januari 1899 melden verkenners aan Teuku Umar dat Van Heutsz, slechts beschermd door 1 marechaussee brigade, zich bevindt in Meulaboh, de geboorteplaats van Teuku Umar. De troepen van Van Heutsz zijn op weg naar Wojla om daar Teuku Umar te verrassen.....Met 800 rakans trekt Teuku Umar via het strand op naar Meubaloh, zo de troepen van Van Heutsz ontwijkend. Natuurlijk hoort Van Heutsz dat het Teuku Umar gelukt is voorbij zijn troepen te komen, ook later geeft zelfs Van Heutsz toe dat dit een strategische meesterzet is van zijn, door Van Heutsz, gewaardeerde tegenstander. Van Heutzs kan niets anders doen dan die ene brigade in hinderlaag te leggen op de vermoedelijke weg, het strand, waar Teuku Umar wel eens langs zou kunnen komen.

    En dan gebeurt wat in de geschiedenis vaker is gebeurd :

  • als Teuku Umar op het laatst een iets andere weg had genomen, dan was Van Heutsz verloren geweest...
  • 800 rakans tegen 1 marechaussee brigade van 20 man....


  • Maar het gaat als volgt :

    in de nacht van 10 op 11 februari 1899 hoort de brigade 800 rakans aankomen over het strand, de Nederlanders beginnen in het wilde weg te schieten, de rakans stormen desondanks naar voren en plotseling stokt de strormloop.......... Naar later blijkt is Teuku Umar door 2 'verdwaalde' kogels dodelijk getroffen, de Grote Leider is dood, een slecht voorteken. De brigade is verbaasd als ze zien dat men zich terugtrekt. Teuku Umar wordt onderweg begraven in Moego. Een van zijn aanvoeders, Pang La'ot, brengt de boodschap naar Tjoet Nja Din.

    gedenknaald Teuku Umar

    Toch een gedenknaald voor Teuku Umar


    Met een klein aantal overgebleven rakans trekken Tjoet Nja Din en Pang La'ot zes jaar door de oerwouden van Sumatra, opgejaagd door Van Heutsz' brigades. Onder 'al die ontberingen is Tjoet Nja Din snel vervallen. Reumatiek maakt haar invalide, dezelfde oogziekte als van haar vader Nanta Setia maakt haar blind'.

    Op 16 oktober 1905 gaat Pang La'ot naar de Nederlanders en vraagt hen Tjoet Nja Din te 'redden'. Na '24 marsuren' lukt het Luitenant Van Vuuren om het bivak van Tjoet Nja Din te bereiken en nog wil 'Tjoet Nja Din zich verzetten, zij tracht zichzelf te krissen'.

    Overgave Tjoet Nja Din

    Overgave van Tjoet Nja Din, met naast haar Pang La'ot


    Het gouvernement besluit haar te verbannen naar Soemedang in de Preanger op West-Java. Voor haar gedwongen vertrek brengen alle Atjehse oeléëbalangs en oelama's haar nog een bezoek om haar de eer te bewijzen die zij verdiend heeft.

    Op Java herstelt Tjoet Nja Din, zij wordt zelfs door de Nederlanders geopereerd. Zij woont in een door het 'gouvernement betaald huis' en wordt door de Nederlandse resident behandeld als een 'vorstin met bedienden, passend bij haar hogen afkomst'.

    Op 9 november 1908 overlijdt Tjoet Nja Din. Op 2 mei 1965 wordt zij uitgeroepen tot Nationale Heldin van de Onafhankelijkheid. Vanaf deze tijd wordt haar naam als Cut Nyak Dhien geschreven.

    Vlakbij Banda Aceh (het oude Kota Radja) wordt een Cut Nyak Dhien museum opgericht :

    Museum Cut Nyak Dhien is a historical object. The house is a replica of the heroine Cut Nyak Dhien, from the Aceh War. The house was burnt down by the colonial forces but a replica was built later, after Indonesia's independence. This house in Lam Pisang, about 6 kilometers from Banda Aceh, is now a museum.   (Link)

    "Geen van de kerels, die aanvoerders waren in de lange heilige oorlog van Atjeh tegen Ons, heeft ons zo fel gehaat, zo ongenaakbaar bestreden als zij en weinigen hebben als zij geofferd aan macht en bezit. Nooit in haar verzet, is zij een stap geweken, nooit was zij weifelmoedig, nooit omkoopbaar.Door ons verbannen, is zij in ballingschap gestorven. Men zegt : verzoend. Maar dat kan niet geloofd worden. Waarom trouwens, zouden wij dat "verzoend-zijn" van haar verlangen ?! Als een pleister op de wonde van ons geweten? Ter meerdere glorie van onze zegepraal? Neen, laten wij haar eren als onze bitterste, onverzoenlijkste vijandin, die gebroken werd door onze overmacht"

    Hoe het afloopt met bijvoorbeeld Panglima Polim en Sultan Muhamad Daud ?

    Beiden geven zich over nadat de Nederlanders erin slagen om hun vrouwen in gijzeling te nemen :

    "De echtgenoote van den Pretendent-Soeltan, Tengkoe PoetroeŽ" viel 26 November 1902 in onze handen.
    Datzelfde jaar op den 25sten December werden de "Sultane favorite", Potjoet Tjot Moerong en zijn zoon Toeankoe Ibrahim gearresteerd.
    Toen bood Sultan Mohamad Daoed op 5 Januari 1903 te Sigli zijn onderwerping aan.


    In de onderhandelingen vroeg de Sultan de garantie dat hij niet zou worden verbannen. Van Heutsz sprak toen de historische woorden :

    Ja, godverdomme, wat moet ik daarop nou antwoorden?


    De Sultan kreeg de gevraagde garantie en een maandtoelage en een nieuw huis in Kota Radja.
    Snouck Hurgronje krijgt hierover ruzie met Van Heutsz. En Snouck Hurgronje kreeg gelijk, want.......

    Na een aantal jaren wordt de Sultan er al van verdacht toch op de achtergrond enkele 'onverzoenlijken' te steunen en dus wordt hij alsnog naar Batavia verbannen.......

    Surrender_of_Sultan_Muhamad_Daud

    na 30 jaar weer terug in Kota Raja

    Rechts van het levensgrote portret van Koningin Wilhelmina de Generaal van Heutsz,
    pal voor het portret een van zijn (voorkeurs) luitenanten Colijn


    Nu werden alle krachten geconcentreerd op het arresteeren van Polem.
    Den 24sten Januari 1903 overviel de Onderluitenant Christoffel een schuilplaats van den grooten verzetsleider, waarbij boeken, brieven en preciosa in onze handen vielen. Polem ontkwam op het nippertje.
    In den nacht van 21 op 22 Mei van hetzelfde jaar vielen Majoor Van der Maaten, Polem's moeder, een zijner vrouwen, Potjoet BoeleuŽn en eenige familieleden in onze handen.
    In Juni d.a.v. wist kapitein Colijn de hand te leggen op Polem's eerste echtgenoote, Tengkoe Ra'ana.
    Daarna werden hem nog eenige zware verliezen toegebrachte zoodat hij eindelijk den 6den September 1903 het hoofd in de schoot legde en zich, aan zijn reeds te voren geuit voornemen gevolg gevend, met 150 volgelingen te Lho* Seumawť kwam melden"
    .

    Voor meer detail en foto's zie het onderstaande citaat :

    'Polem! Een naam als een oorlogsreliquie ; een naam als een geblakerd en gerafeld vaandel. Het roode oorlogsvaandel met de gekruiste witte sabels! Een naam, die herinneringen oproept aan een tijd van strijd en glorie in het oude Atjeh.
    O! er zat muziek in dien tijd en er zat muziek in de menschen van dien tijd!

    Het was kort dag en het leven grensde overal aan de macabere steilten van den dood. De dag was bont en vol van feestgedruisch en fanfare van victorie en soms was hij droef en duister en vervuld van oorlogsgerucht, van verwonding en dood en nederlaag.

    Onbeduidend en klein was die tijd niet en ook de menschen, die dien tijd maakten, waren het niet.
    Het sagihoofd der XXII Moekims, de in menig opzicht belangrijkste sagi van Atjeh, Teukoe Panglima Polem Sri Moeda Perkasa Mohamad Daoed, een der hoofdfiguren uit dien tijd, was de algemeene leider en de ziel van het verzet tegen de Geumpenie.

    Polem wil zeggen "Heer, oudere broeder". De eerste van het geslacht zou den ambtsnaam Panglima Polem hebben ontvangen, wegens zijn verwantschap met het Atjehsche Soeltansgeslacht. Sri Moeda Perkasa is een erfelijke titel. Teukoe Mohamad Daoed zou het zevende hoofd zijn uit het Polem-geslacht.

    Op den 6den September 1903, dus dertig jaar geleden, meldde hij zich te Lho' Seumawť, bij den kapitein der Marechaussee, H. Colijn, die daar belast was met het civiel bestuur.

    De arrestatie van zijn moeder, zijn zuster en twee zijner vrouwen gingen aan zijn onderwerping vooraf.

    Na Teukoe Oemar's val op 20 Maart 1896 nam men de XXII Moekims onder handen en bereikten onze troepen Seulimeum en ReuŽng, het verste punt in de Atjeh-vallei.
    Een tweede aanval werd onder Overste Van Heutsz in het begin van 1897 ingezet. In den nacht van 14 op 15 Mei werd ten koste van zeer ernstige verliezen onzerzijds Polem's zwaar versterkte benteng Glť JeuŽng genomen.

    Het sagihoofd verdween in de richting Seulimeum en ReuŽng. Van Heutsz liet hem echter geen rust. In October 1897 werd Seulimeum bezet, in April van het volgend jaar ReuŽng.
    Polem trok de waterscheiding over en in de VII Moekims PidiŽ kwamen toen de groote verzetsleiders bijeen. Daar was dan Teukoe Oemar, die met een deel van zijn krijgsmacht van de Westkust overkwam. Daar waren de hoofden uit Groot-Atjeh en van de Westkust. Daar was dan ten slotte de Pretendent-Soeltan, Toeankoe Mohamad Daoed.
    Men maakte van deze gelegenheid gebruik om Toeankoe Mohamad Daoed te Indrapoeri tot Soeltan uit te roepen. De gampong Garot in PidiŽ was in dien tijd het centrum van het verzet.

    De Pedir-expeditie werd ondernomen en dank zij onze krachtige, onverpoosde actie kwam een aantal hoofden in onderwerping. De Pretendent-Soeltan, Polem, Oemar en enkele in hoog aanzien staande Oelama's, de z.g. Tiro-Teungkoes, die zeer veel invloed hadden op de jongere hoofden, trokken zich terug in de onherbergzame bovenstreken van PidiŽ en ondernamen van hieruit hun strooptochten.

    Van Heutsz achtervolgde hen als een buldog. Hij maakte de vermaarde tocht naar Tangsť. De verzetshoofden vluchtten naar Geumpang en Meureudoe, doch Van Heutsz zette hen na. Zij weken verder uit naar Samalanga, maar ook daar werd het hun te warm gemaakt, waarna zij weer uitweken naar PidiŽ.

    Zij verbleven eenigen tijd in Koeta-Sawang, vanuit welke gampong circulaires werden gezonden aan de OeleŽbalangs, waarin werd opgewekt tot deelname aan den heiligen oorlog.
    In Mei 1899 werd Koeta-Sawang door een compagnie Infanterie genomen.
    De Pretendent-Soeltan en Polem ontsprongen den dans. Zij leidden eenigen tijd een zwervend bestaan in de Pedir-vallei, weken toen uit naar Peusangan, waar zij moreelen steun verleenden aan het verzet van den OeleŽbalang, een der meest invloedrijke AtJehsche vorsten.
    Verder trokken zij naar Lho' Seumawť, naar de bovenstreken van Geudong en KeureutoeŽ in de Pasť-streek en naar Lhů Soekon.

    Krachtig trad de Marechaussee in dit gebied op, met het gevolg, dat Polem naar den ouden haard van het verzet, Samalanga, terugkeerde en van hieruit alle vijanden van de Geumpenie mobiliseerde tot een krachtige actie.
    Dit was een kolfje naar de hand van Van Heutsz, die toen de Samalanga-expeditie organiseerde en den vijand met de historische verovering van het trotsche BatťŽ-IliŽ, de roode rots, waarvoor Karel van der Heyden dertig jaar te voren het hoofd had gestooten, een uiterst gevoeligen klap toediende.
    Het is niet algemeen bekend, dat de verovering van de onneembaar-gedachte benting BatťŽ-IliŽ op 3 Februari 1901, op den verjaardag van den Generaal en aan den vooravond van het huwelijk van H.M. de Koningin, ons slechts 5 dooden en 27 gewonden kostte, terwijl de vijand 78 dooden in de versterking liet liggen.
    Deze aan de verzetspartij toegebrachte nederlaag, was van een eminent belang. De verzetslieden zwierven her en der en vluchtten ten slotte naar de verre Gajosche bergen.

    Van Daalen, de onverbiddelijke militair, zette een vervolging in, doch telkens wisten de Pretendent-Soeltan en Polem te ontkomen. Toen de grimmige Van Daalen in PidiŽ werd opgevolgd door den populairen kapitein Klaas van der Maaten, werd van deze wisseling door de verzetspartij dadelijk gebruik gemaakt om te probeeren, wat men aan den nieuwen aanvoerder had.
    Klaas van der Maaten was echter al even populair als cordaat en energiek in het voortzetten der actie en hij dwong den vijand telkens met bebloede koppen af te druipen, waarbij de Pretendent-Soeltan eenige malen een "narrow escape" had.

    De echtgenoote van den Pretendent-Soeltan, Tengkoe PoetroeŽ" viel 26 November 1902 in onze handen.
    Datzelfde jaar op den 25sten December werden de "Sultane favorite", Potjoet Tjot Moerong en zijn zoon Toeankoe Ibrahim gearresteerd.
    Toen bood Toeankoe Mohamad Daoed op 5 Januari 1903 te Sigli zijn onderwerping aan.

    sultaninstoel

    Sultan Mohamad Daoed in Januari 1903, na zijn overgave


    De Sultan werd na een aantal jaren, toch verbannen naar Batavia


    Nu werden alle krachten geconcentreerd op het arresteeren van Polem.
    Den 24sten Januari 1903 overviel de Onderluitenant Christoffel een schuilplaats van den grooten verzetsleider, waarbij boeken, brieven en preciosa in onze handen vielen. Polem ontkwam op het nippertje.
    In den nacht van 21 op 22 Mei van hetzelfde jaar vielen Majoor Van der Maaten, Polem's moeder, een zijner vrouwen, Potjoet BoeleuŽn en eenige familieleden in onze handen.
    In Juni d.a.v. wist kapitein Colijn de hand te leggen op Polem's eerste echtgenoote, Tengkoe Ra'ana.
    Daarna werden hem nog eenige zware verliezen toegebrachte zoodat hij eindelijk den 6den September 1903 het hoofd in de schoot legde en zich, aan zijn reeds te voren geuit voornemen gevolg gevend, met 150 volgelingen te Lho* Seumawť kwam melden.

    overgave polim aan colijn

    Panglima Polim zit links van Colijn


    Nog een foto voor het huis :

     Panglima_Polim

    Surrender of Panglima Polim.

    The second officer from the right is the future Prime Minister of the Netherlands, Colijn


    (uit mijn foto's pagina)

    Volgens velen kijkt Colijn net alsof hij dagelijks zich overgevende Panglima Polims ontvangt, het lijkt hem niets te doen....


    De beteekenis hiervan was van vťrstrekkenden aard. Door de onderwerping van dit sagihoofd was de Atjehoorlog eigenlijk beslist. Tal van bendehoofden kwamen zich in de volgende maanden melden en vele uitgewekenen, welker getal wel op 2000 wordt geschat, keerden naar hun dorpen terug.

    Van Panglima Polem kan worden getuigd, dat hij zijn woord van trouw aan het Nederlandsche Gouvernement op de meest loyale wijze heeft gehouden en zijn verplichtingen tegenover de Geumpenie steeds als man van eer is nagekomen. De machtige politieke aanvoerder van weleer zetelt thans rustig m de XXII Moekims, waar hij de Geumpenie als bestuurder zeer belangrijke diensten heeft bewezen.

    Ais orthodox islamiet houdt hij nauwgezet de wet en de geboden. Bij de bevolking van geheel Atjeh geniet hij een zekere vereering, niet alleen "for the sake of old memories", maar ook om zijn rechtschapen levenswandel.
    Wij zagen eens hoe een oud en om zijn stugheid bekend staand Atjehsch hoofd zich ootmoedig over zijn hand boog.
    Panglima Polem maakt nog een jongen en vieven indruk. Dat oude Atjehsche hoofd verklaarde ons : "Panglima Polem is ouder dan ik ben, maar hij zal er altijd jong uit blijven zien, want hij is een heilige".
    Het is jammer, dat de toestand zijner oogen zeer slecht is en hij langzamerhand de blindheid nadert.

    Zijn terreinkennis is enorm! Wij hoorden hoe een jong officier hem vertelde van een record-patrouille van vijf dagen in het Pedirsche. Het was of de schaduw van een glimlach over Polem's gelaat gleed en achter zijn dikke brilleglazen met de oogen knipperend sprak hij: U had dien tocht in drie dagen kunnen maken, wanneer u de bedding van die en die aloer (beek) had gevolgd."

    Teukoe Panglima Polem Sri Moeda Perkasa Mohamad Daoed werd in 1928 begiftigd met het ridderkruis der Oranje-Nassau-orde. In 1929 ontving hij van Zijne Excellentie, den Gouverneur-Generaal, een kostbaar gouden sirih-blad ten geschenke en in 1932 werd hem de tevredenheid der Regeering betuigd voor de wijze, waarop hij heeft medegewerkt aan den terugkeer naar hun woonplaatsen van de in Februari van dat jaar uit OeIťŽ-Glť (Samalanga) weggetrokken lieden. '


    de 'oude' Panglima Polim in 1938

    de 'oude' Panglima Polim met de afgeknot-kegelvormige koepiah en het Nederlandse ridderkruis (1938)


    'Klein van stuk als hij is, maakt hij geen imposanten indruk en in het beminnelijke oude heertje met zijn zeer zwakke oogen achter de dikke brilleglazen is weinig meer over dat aan den strijdbaren, vurigen aanvoerder van verzetslieden doet denken'



    De zoon van de 'oude' Panglima Polim (zie bovenstaande foto), de 'jonge' Panglima Polim, gaf in februari 1942 het startsein voor een algehele opstand tegen de Nederlanders. In de nacht van 7 op 8 maart 1942 werden alle verbindingen vanuit Kota Radja vernield. Op 11 maart begon de vlucht van de Nederlanders uit Atjeh. In de daaropvolgende nacht vielen de Japanners binnen.

    Na WOII zijn de Nederlanders niet meer teruggeweest in Atjeh en bestuurden de Atjehers 'zichzelf'. In deze 'sociale revolutie' periode werd bloedig afgerekend met alle oeléëbalangs die in de ogen van veel Atjehers te veel op de hand van de Nederlanders waren geweest. Hele families zijn in deze dagen uitgemoord. Aan de macht van de oeléëbalangs was definitief een einde gekomen.

    Al in 1953 brak weer een opstand uit toen het centrale gezag in Jakarta Atjeh voegde bij de Deelstaat Noord-Sumatra, pas in 1959 werd de situatie weer wat genormaliseerd : Atjeh werd een 'apart' gebied met autonome rechten.

    In 1976 proclameerde de achterkleinzoon van Chik Di Tiro, Teungku Hasan Di Tiro, de onafhankelijkheid van de islamitische staat Atjeh. Het ASNLF oftewel het Acheh Sumatra National Liberation Front - ASNLF, protesteert nog steeds van tijd tot tijd voor de Nederlandse ambassade. (zie de ASNLF link)

    aceh-flag

    ACEH MERDEKA


    BACK






    ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ

                ......een roofstaat aan de Noordzee......
                .....dat spoorwegen bouwt van gestolen geld en tot
                betaling de bestolene bedwelmt met
                opium, Evangelie en jenever...

                 Aan U durf ik met vertrouwen te vragen of het
                Uw wil is dat daarginds Uw meer dan dertig
                millioenen onderdanen worden mishandeld en
                uitgezogen in UWEN naam?


                Multatuli [1860] ...aan Nederland...Koning Willem III



    Assistent_resident_Eduard_Douwes_Dekker_van_Lebak_Residentie_Bantam



    ....dat dorp stond in brand, omdat het veroverd was door Nederlandsche soldaten.......


    Ja, 't dorp was veroverd door Nederlandsche soldaten, en stond dus in brand.

    Op Nederlandsche heldendaad volgt brand.
    Nederlandsche overwinning leidt tot verwoesting.
    Nederlandsche krygsbedryven baren wanhoop.



    Reakties  welkom

    mijn Nederlands-IndiŽ links

    top






    Back to the Dutch East Indies / Nederlands-Indië INDEX





    Last update :

    6 April 2010