ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ



Homepage

mijn Nederlands-IndiŽ links

INDEX  (bottom)

VOCvlaggaruda

neerlandskrijgsroem

Neerlands Krijgsroem in Insulinde, 1815 - 1900





Uit het bovenstaande boek, te vinden op mijn references pagina, een zeer fraai tijdsbeeld, opgeschreven in 1902, van "tempoe doeloe " in de negentiende eeuw.

Zowat ieder jaar was er wel wat te doen... , over het waarom van al die onlusten en woelingen, daar had men toen hele andere meningen over. Nederland had een beschavende taak, laten we het daar maar op houden.

Uit het overzicht, op veler verzoek, is natuurlijk ook de geschiedenis van de Nederlandse expansie in het huidige Indonesië af te lezen, zoals samengevat op onderstaand kaartje

nedimperialisme

De tekst is m.b.v. OCR ingescand, dus er zullen wel wat taalfoutje in kunnen staan.

Toen was men gewend om hele lange zinnen te gebruiken, ook dit heb ik zoo gehandhaafd, want ik vind het taalgebruik juist zoo mooi...

Zoek je nog meer informatie over de geschiedenis van Indonesië, probeer dan mijn Indonesië pagina's eens of maak gebruik van mijn site zoekmachine.

Voorafgaand aan de tekst eerst het schutblad :

Helemaal onderaan de Nederlandse Militaire Willemsorde, waarnaar geregeld wordt verwezen.

De wet opgesteld in 1815, bij de instelling van de Militaire Willemsorde, vind je op deze pagina.

krijgsroemgif


De hardnekkige strijd die het Indische Leger zoo dapper in die verre gewesten voert, bezit in hooge mate het bijzondere dat de krijg tegen Indische volksstammen kenmerkt.

Er is geen georganiseerd vijandelijk leger dat in het open veld stand houdt en verslagen moet worden, maar de vijandelijke krijgsmacht bestaat uit kleine, roovende, plunderende benden, die heden bijeen zijn en morgen uit elkaar gaan, om elders weder op te duiken, onvatbaar en meestentijds onzichtbaar, de echte guerilla; het is een vijand gluipend, loerend, sluw, dweep-zuchtig, listig, die een enkele maal in dolle blinde woede aanvalt, maar er overigens de voorkeur aan geeft om den troep bij verrassing te overrompelen en van achteren aan te vallen.

Van de woeste terreinen waar de troepen moeten opereeren bestaan meestentijds, althans in het begin, geen kaarten, geen terreinbeschrijving en geen statistieke opgaven, of zoo die al bestaan, zijn zij gewoonlijk saamgesteld naar Inlandsche gegevens, die weinig betrouwbaar zijn, zoodat te voren geen vast operatie-plan te maken is.

De bevolking is ons heden vredelievend gezind, maar staat morgen vijandig tegenover onze soldaten, die zij een oogenblik te voren' nog gastvrij ontvingen, doch even later met verborgen gehouden wapenen aanvallen en bestrijden; overal broeit opstand en smeult verzet, al is er ook geen rook zichtbaar die den brand verraadt, en wordt een der brandpunten van opstand genomen en getuchtigd, dan vormt zich een zelfde centrum weder op verren afstand.

Ten einde de feiten juist en grondig te kunnen beoordeelen en op hunne rechte waarde te schatten, is het noodig in het oog te houden, dat die volbracht werden in eene luchtstreek, met een moordend klimaat, waar de tropische zon de huid verschroeit en zelfs den sterkste eindelijk machteloos maakt en uitput; waar de alles overstelpende stortregens vanden West-moesson den krijger soms dagen achtereen in natte kleeren doen blijven, die van koude rillende, eene rustplaats voor zijne moede leden op den doorweekten bodem moet zoeken; waar zoowel de zon als de regen ziekten verwekken die menig dapper soldaat, hoe gehard ook, ten grave sleepte, of in zijne gezondheid geknakt, te vroeg aan zijn nuttigen werkkring onttrok; op terreinen, waar bijna eindelooze marschen gemaakt moeten worden langs zoo goed als onbegaanbare paden, of door on-gebaande eeuwenoude wouden, waar voor elke pas voorwaarts het struikgewas of de doomige lianen met het kapmes en den bijl moeten worden opgeruimd en soms de met rotsblokken bezaaide bedding eener woest stroomende rivier nog de eenigste en gemakkelijkste weg is, al struikelt de soldaat ook telkens over de ongeziene hinderpalen onder het watervlak; waar de troep voorwaarts rukt, stijgende en dalende langs hemelhooge rotsen, waar zelfs de ongeschoeide voet van den daaraan gewenden inboorling slechts met ongehoorde inspanning de natuurlijke hindernissen overwint, langs steile hellingen, glibberig door den regen of den zwaren nachtelijken dauw, waar dikwijks maar even plaats is om den voet te zetten en elke misstap een doodelijken val in den peilloos diepen afgrond ten gevolge kan hebben; waar de richting van den marsch. voert door waterloopen, die in gewone tijden doorwaadbaar, na hevige stortregens tot alles vernielende stortvloeden zijn gezwollen, door natte sawah's, waar de troep de smalle, glibberige dijkjes moet volgen, dan wel tot de knieŽn in de modder wegzakt, of over brandend heete vlakten zonder eenige'schaduw, waar de krijger van dorst versmacht en dikwijls uitgeput amechtig neerzinkt; waar de gids, die den troep den weg zal wijzen, dikwerf zelf het spoor bijster raakt, wat tot afmattende omwegen aanleiding geeft en de aanvoerder nog ten slotte de richting moet volgen, die kompas of inzicht hem aanwijzen;

in landstreken, waar zelfs de zich aan ons het meest gehecht voordoenden inboorling niet altijd te vertrouwen is en men elk plan om den vijand te verrassen of te overvallen tot het allerlaatste oogenblik voor allen stipt geheim moet houden, om te voorkomen dat de tegenstander daarvan ontijdig kennis draagt; waar de nachtmarschen en nachtelijke overvallingen van de krachten van den troep het bijna onmogelijke eischen, omdat de hinderpalen, bij dag reeds zwaar, nu eindeloos vergroot worden door de duisternis i zoodat men op die onbekende terreinen, den niet altijd ver-trouwbaren gids volgende, zijn weg als 't ware op den tast moet vinden , de huid openrijtende aan struiken met lange giftige doornen, het lichaam bloedende door de steken der van de boomen vallende bloedzuigers, of brandende van den beet van reusachtige mieren, wier nesten verstoord werden door den een rustpunt zoekenden voet; waar men in de duisternis voortgaande, telkens struikelt over ongeziene hinderpalen, zich afgemat en gekneusd weder oprichtende, altijd in gespannen verwachting zijnde van eene onverwachte ontmoeting met den vijand, die overal verborgen loert en spiedt, trachtende met den blik de duisternis te doorboren, het gevaar nabij voelende en toch niet wetende van waar de tegenstander komen zal, of waar wellicht de ontrouwe gids ons in eene hinderlaag wil voeren; waar men dan zonder iets te zien zich vermoeid voortsleept zonder rust en zonder verademing en toch zonder een klacht te uiten, zwijgend in doodsche stilte voortgaande, omdat het minste geluid aan den waakzamen, alles waarnemcnden vijand het plan zou verraden en de met zooveel geduld op touw gezette onderneming op het laatste oogenblik doen mislukken, want als de tegenstander zich in de minderheid gevoelt, dan verdwijnt hij spoorloos, waarna hij weder naar een nieuw te ontwerpen plan moet opgezocht worden;

in gewesten, waar men den strijd aanbindt met een dikwijls onzichtbaren vijand, zich gemakkelijk en snel bewegende, bekend met alle schuilhoeken en door niets te onderscheiden van den vreedzamen burger, zoodat het eenvoudig verbergen zijner wapens in een nabijzijnd struikgewas, hem als niet-strijder in ons oog onschendbaar maakt; een vijand, standvastig, moedig en volhardend, doch verraderlijk en trouweloos als een vulgairen roover, wreed, woest, fanatiek en haatdragend, geen mededoogen of geen genade kennende en genot vindende in het martelen der ongelukkigen die in zijne handen vallen, zoodat de onzen een strijd voeren op leven en dood, want van overgave, gewond of niet, kan van onze zijde geen sprake zijn; het is een strijd waarbij wij bijna altijd aanvaller moeten zijn en nooit het getal der vijanden mogen tellen, al is de overmacht ook nog zoo overstelpend, want de zege moet behaald worden ten koste van alles; is de overwinning onmogelijk, dan moet strijdende den terugtocht worden aanvaard, zonder ťťn gewonde achter te laten, en is ook dat onmogelijk, dan is het beter den makker uit medelijden zelf het genadeschot te geven om hem voor marteling te behoeden; > zelfs voert men zoo mogelijk de dooden mede, want ook die heilige overblijfselen zijn niet veilig voor 'svijands schendende hand.

Dus zoowel klimaat, als terrein, bevolking en vechtwijze vormen een treffend verschil met alles wat men daarvan in Europa en bij beschaafde natiŽn waarneemt; er wordt in IndiŽ oorlog gevoerd met fanatieke, in alles onbetrouwbare volksstammen, die niet alleen den Nederlander haten, omdat hij Nederlander en de meester, de overheerscher, maar ook omdat hij een Kafir, een Christenhond is; volkeren moeten worden bestreden die opgezweept worden door de hoofden en de priesters, die wel voorgeven hunne vrijheid, hunnen godsdienst en hun land tegen de overweldiger te verdedigen, doch die alleen haat en dweepzucht onder het volk gaande houden om, kleine tirannen als zij zijn, vrij te kunnen heerschen zonder de lastige controle eener beschaafde natie, en naar hartelust straffeloos te kunnen rooven, moorden en plunderen, het volk uitzuigende en de laagste klasse tot slaven makende. De guerilla-oorlog in IndiŽ is een van de kwaadaardigste soort, een oorlog a oufrance, wreed, onmenschelijk en zonder eenige genade van 'svijands zijde.

Moge de in de volgende bladzijden geboekstaafde, van alle bijwerk ontdane heldenfeiten als voorbeelden getuigen, wat elk van NÍerland's zonen in die verre gewesten, vťr van hun geboortegrond en gescheiden van magen en vrienden in staat is te verrichten in het belang van het vaderland, strijdende onder de Oranjevaan en Neerland's driekleur, overwinnende of stervende met den kreet van... "Leve de Koningin '" op de lippen, een kreet die de hijgende borst in den heeten strijd juichend ontsnapt en wonderen doet verrichten, zegevierende onder de begeesterende toonen van het geliefde Wilhelmus, en leven en gezondheid veil hebbende om hunne zware en gevaarlijke taak getrouw te volbrengen, slechts geleid door plichtsbesef en de hoop om een enkelen lauwer te verwerven, in ruil voor zooveel moed en. zooveel zelfopoffering.

Van de instelling af der sedert zoo beteekenisvol en roemrijk geworden Militaire Willemsorde door Neerland's Eersten Koning, moesten gedurende de 19e eeuw door de Indische krijgsmacht verschillende onlusten, ongeregeldheden en opstanden bedwongen en noodzakelijke oorlogen gevoerd worden, ten gevolge waarvan 't noodig was telkens expeditiŽn van meer of mindere sterkte uit te zenden, bestaande alleen uit Landmacht, of alleen uit Zeemacht, of uit beiden te samen, zoodat eigenlijk geen enkel Jaar in de 19ģ eeuw voorbijging, zonder dat onze troepen in het een of ander deel onzer uitgestrekte Oost-Indische bezittingen een vijand te bestrijden hadden.

1816 Onlusten in het Krawangsche.

1817 Onlusten in de Molukken; de geheele krijgsmacht der eersten

        expeditie, onder majoor P. J. Beetjes, vernietigd.

        Tweede expeditie naar de Molukken (Saparoea, Ha-roekoe en Ceram).

1818 Onlusten in Cheribon.

1819 Opstand in Palembang. Eerste expeditie derwaarts.

Onlusten op Celebes.

1820 Opstand op Riouw. Onlusten op Banka.

1821 Tweede expeditie naar Palembang.

1822 Onlusten en daarna opstand der Padrie's (Sumatra's Westkust). Deze onlusten en de daaruit voortkomende verschillende opstanden duurden met geringe tusschenpoozen

van schijnbare rust, zelfs na de verovering van het hechte bolwerk der Padrie's, Bondjol, op den 19^ Augustus 1837. nog tot het jaar 1841.

1824        Opstand op Celebes (Boni).

1825       Opstand op Java (Djokjakarta). Begin van den Java-oorlog, die zonder tusschenpoozen duurde tot 28 Maart 1830, den dag waarop Diepo Negoro gevangen genomen werd.

Deze oorlog nam de krachten van ons leger zoodanig in beslag, dat gedurende dien tijd van een eenigszins uitgebreid machtsvertoon in andere deelen van den Archipel zoo goed als geen sprake kon zijn.

1827        Vijandelijkheden met den Sultan van Matam (Bomeo) tot

en met het jaar 1828.

1832        Oproer der Chineezen in Krawang.

1834        Expeditie naar de Lampongs.

1843        Gevechten tegen de zeeroovers.

1846        Eerste Balische expeditie.

1848        Tweede Balische expeditie.

1849        Derde Balische expeditie.

1850        Onlusten in Bantam.

Onlusten onder de Chineezen (Wester Afdeeling van Borneo). Onlusten op Banka.

1851        Expeditie tegen Amahey en Mahariko (Ceram).

Opstand in Palembang. Expeditie naar de Lampongs.

1853        Onlusten onder de Chineezen (Wester Afdeeling van

Borneo).

1854        Onlusten in de Palembangsche Bovenlanden.

Expeditie naar Borneo's Westkust.

1856        Expeditie naar Tomiri (Molukken). Expeditie van Mandar (Celebes). Onrustige bewegingen der Chineezen op Riouw. Expeditie naar de Lampongs.

1857        Expeditie naar Timor en Flores.

Expeditie naar Siak.

Onlusten in het Palembangsche.

1858        Tuchtiging der Berg-Alfberen op Ceram.

Expeditie tegen Djambi.

Ongeregeldheden in Palembang.

Ongeregeldheden der Chineezen in Cheribon en Krawang. Expeditie naar het landschap Reteh (Oostkust Sumatra).

Verzet op Bali.

1859        Ongeregeldheden in het Sintangsche (Wester Afdeeling van Borneo).

Eerste Bonische expeditie.

Onlusten en krijgsverrichtingen in Palembang.

Opstand te Bandjermasin (Zuid- en Ooster Afdeeling van Borneo). Deze opstand en de krijgsverrichtingen tengevolge van de onlusten die daaruit voortvloeiden, duurden met enkele tusschenpoozen van rust tot 1871.

Tweede Bonische Expeditie.

1860        Onlusten op Ceram.

Opstand te Semarang der tot het Leger behoorende Zwitsersche huurtroepen.

1861        Krijgverrichtingen. tegen de zeeroovers op het eiland Saljoesoe

1862        Vernieling der rooversvloot bij de Sangir-eilanden.

Expeditie naar Manipi en Toeroengan (Celebes).

Expeditie naar Mandar (Celebes).

1863        Expeditie naar Nias.

Expeditie naar de Torothea-landen (Celebes).

1864        Verwikkelingen in het Sintangsche (Wester Afdeeling van Borneo).

Expeditie naar Marahoenoe (Ceram).

1865        Strijd tegen de zeeroovers bij Menado (Molukken).

Expeditie naar Assahan en Serdang (Oostkust Sumatra). Onlusten op Ceram.

1866        Expeditie naar de Pasoemah-landen (Palembang).

Expeditie naar Ceram.

1867        Expeditie naar Mandar (Celebes).

1868        Verwikkelingen op Bali.

1870               Demonstratie tegen den Mentawei-Archipel (Westkust Sumatra).

1871               Ongeregeldheden in Pekalongan.

1872               Verwikkelingen in het landschap Deli (Oostkust Sumatra).

1873        Begin van den oorlog met het Rijk van Atjeh.

Vertrek der eerste en tweede expeditie.

Ongeregeldheden in Benkoelen.

1874        Inneming van den kraton te Atjeh. Dood van den Sultan.

Blijvende bezetting van dat Rijk.

1875        Onlusten op Ceram.

Ongeregeldheden op Menado.

1876        Expeditie naar Siak.

Ongeregeldheden op Halmaheira (Molukken).

1877        Expeditie naar Langsar (Oostkust Sumatra).

Onlusten op Celebes opstand van Kraeng Bonto Bonto.

1878        Expeditie naar Silindoeng.

Vernieling van het zeerooversnest te Manoera (Zuid FIores).

1880                Ongeregeldheden in Koetoeardjo (Bagelen).

1881                Ongeregeldheden te Takalar (Celebes).

Woelingen in de Ommelanden van Benkoelen.

Zamenzwering in Palembang.

1882                Verwikkelingen met Indragiri (Oostkust Sumatra).

Onlusten in de Boven-Doesson (Zuid en Ooster Afdeeling Bomeo).

1883                Ongeregeldheden in de Tobah-landen (Midden Sumatra). Ongeregeldheden te Amoenthai (Zuid en Ooster Afdeeling van Bomeo).

1884        Expeditie naar Tenom (Westkust Sumatra).

Onlusten onder de Chineezen te Mandor (Wester Afdeeling van Bomeo).

1885        Expeditie naar Mandor.

Poging tot opstand in de Palembangsche Bovenlanden.

Expeditie tegen de zeeroovers (Oostkust Sumatra).

Gewapend verzet in de Noorder Distrikten van Celebes

Onlusten in Djambi.

Ongeregeldheden te Poeloeng (Madioen).

1886        Expeditie tegen de zeeroovers te Batoe Barah (Oostkust Sumatra).

Moeilijkheden met de Raja Battaks (Oostkust Sumatra).

1887        Onlusten in Troemon (Westkust Sumatra).

Onlusten in de Toba-landen (Sumatra).

1888        Onlusten te Tjilegon (Bantam).

Woelingen in Midden- en Oost-Java.

1889        Expeditie naar Edi (Oostkust Sumatra).

Onlusten in de Toba-landen.

Tuchtiging van de onruststokers in de Geelvinkbaai (Nieuw Guinea).

1890        Expeditie naar Flores.

Krijgstochten naar de onafhankelijke grenslanden (Suma-tra's Westkust).

1891        Expeditie naar de Tebidah streek (Wester Afdeeling van Borneo).

1892                Rustverstoring op de Aroe-eilanden.

1893        Invallen der Atjehers in het Noorden van de Residentie Oostkust van Sumatra.

Tuchtiging der Aroe-eilanden.

1894        Beide expeditiŽn naar Lombok.

1895                Rustverstoring in de Afdeeling Sampang (Madura).

1896                Verwikkelingen in de onder-afdeeling Melawie (Wester Afdeeling van Bomeo).

Ongeregeldheden in de onderafdeeling Amfoeang (Timor). Ongeregeldheden in de onderafdeeling Oost-Lombok.

1897                Ongeregeldheden in midden-Lombok.

1899                Rustverstoring te Parigi (Menado).

Herhaalde ongeregeldheden der mijnwerkers op Banka.

Expeditie tot onderwerping der onafhankelijke landen V Kota's (midden Sumatra), tengevolge hunner rooftochten op ons gebied.

Rustverstoring te Kendangan (Zuid- en Ooster Afdeeling van Borneo).

1900        Begin der onlusten in Djambi

Voortzetting van den Atjeh oorlog sedert 1873

 

Gedurende datzelfde tijdsverloop werden in de Militaire Willemsorde opgenomen,

 

46 Grootkruizen

80 Kommandeurs

364 Ridders der 3e klasse

4952 Ridders der 4e klasse

 

ongerekend de talrijke Eervolle Vermeldingen (Gouden Kroon) en de voor betoonde dapperheid als Koninklijk eereblijk geschonken Eeresabels.