ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ



Homepage

mijn Nederlands-IndiŽ links

INDEX  (bottom)

VOCvlaggaruda

groote broer

......groote broer.......


Atjeh, de bloedige verovering door Nederland (2/4)



Wat kun je op deze 4 pagina's allemaal verwachten

  • Niet alleen een beschrijving van de akties op Atjeh, maar ook de grote lijn van het wie en waarom, volgens de volgende INDELING
  • Veel documentatie materiaal ( foto's, links, kaarten, levensbeschrijvingen van Atjeeërs en Nederlanders )
  • Met natuurlijk ook een LINKS overzicht, bij sommige links ook een samenvatting




  • Sommige afbeeldingen zijn als thumbnail weergegeven : na één klik met de linker muis wordt het volledige beeld getoond, inklusief een toelichting
  • Via de link " Back to Atjeh (#) " kom je weer terug op de pagina waar je was
  • Indien het kB formaat erbij vermeld wordt, dan wordt rechtstreeks doorgelinkt naar de originele source
  • Uiteraard kon ik niet alle foto's die ik heb, opnemen in deze pagina's. Op een aparte pagina met foto's over Nederlands-Indië zal ik ook z.s.m. veel foto's over Atjeh opnemen. In de tekst op deze pagina's zal ik hiervoor soms een link aanbrengen.
  • Waar ik mijn kennis vandaan heb gehaald kun je o.m. vinden op de pagina met book covers.




  • INDELING

    Atjeh 1

  • De kennismaking van Atjeh met de Europeanen
  • Hoe maakten de Nederlanders (Hollanders en Zeeuwen) kennis met Atjeh ?
  • De Nederlandse expansie op Sumatra : op weg naar Atjeh...
  • Een historische herfst wandeling in 1869 in het Haagse Bos
  • Het voorgevoel van Multatuli


  • Atjeh 2

  • Wie was Gouverneur-Generaal James Loudon (1824 - 1900) de man, die de grootste agressie oorlog ooit door Nederland gevoerd, op eigen gezag ontketende
  • De mening van Multatuli over de Minister van Koloniën Fransen van der Putte (1822-1902 )
  • De oorlogsverklaring aan het onafhankelijke Atjeh (26 Maart 1873)
  • De verwerking van de nederlaag , gevolgd door de tweede expeditie
  • Generaal Eenoog en de geconcentreerde linie


  • Atjeh 3

  • Snouck Hurgronje weet de oplossing, van Heutsz schrijft een manifest.....
  • Van Heutsz, van Daalen, Christoffel, Swart, Colijn en vele anderen aan de slag
  • Het Atjehse verhaal met o.m. enkele nu nog bekende Atjehse oeléëbalangs en oelama's
  • Tot 1942 "alles onder controle en gepacificeerd"
  • Een kritische Wekker


  • Atjeh 4

  • Losse eindjes ............. en het LINKS overzicht, bij sommige links ook een samenvatting
  • Reakties


  • Back to the Dutch East Indies / Nederlands-Indië INDEX


    Wie was Gouverneur-Generaal James Loudon (1824 - 1900) de man, die de grootste agressie oorlog ooit door Nederland gevoerd, op eigen gezag ontketende

    Gouverneur-Generaal  Loudon



    Zijn vader, een Schot, was op Java beland tijdens het Britse interim bestuur o.l.v. Raffles. Na het vertrek van de Britten bleef de familie Loudon op Java wonen. James, geboren in Den Haag, belandde in 1832 ook op Java en groeide op in Djokjakarta. Aangezien James' moeder al in 1828 was overleden ging het niet zo goed met de opvoeding daar in Djokjakarta. En dus werd James in 1837 weer teruggezonden, nu naar Zutphen. Na Zutphen studeerde James in Leiden. In 1839 overleed de op Java rijk geworden vader Loudon en het beheer van de erfenis kwam in handen van de Minister van Koloniën Baud, een huisvriend van de Loudons. (zie De Nederlandse expansie op Sumatra : op weg naar Atjeh... ) Door het kontakt met Baud was James dus al jong op de hoogte van alle "ins en outs" over Indië, wat hem op latere leeftijd zeer goed van pas kwam.
    Maar de erfenis raakte op daar in Leiden en op advies van Baud reisde James in 1846 weer naar Indië, onderweg verveelde hij zich vreselijk, maar gelukkig werd hij onder de hoede genomen van de toekomstige president van het Indische Hooggerechtshof, ook niet slecht voor zijn netwerk.
    Door al zijn relaties lukte het hem zelfs om ontvangen te worden door de Gouverneur-Generaal Rochussen, de Groote Heer oftewel Toean Bezaar. James werd advocaat. Zijn broer stichtte een suikerfabriek met de (toen James GG was (!), de latere Minister van Koloniën) Isaac Fransen van der Putte.
    Bij ziekte van Isaac moest James vervangen en dus allerlei werkzaamheden doen, waar hij letterlijk vuile handen van kreeg. Niets voor die al arrogante James die zich dus ver verheven voelde boven Isaac. Financieel leverde het werk op de suikerfabriek Isaac echter veel meer op dan James' werk als advocaat in Batavia en dat was natuurlijk niet bevoordelijk voor het image van Isaac bij James, Volgens James was Isaac dus een parvenu! En zo zou hij altijd over hem blijven denken en naar handelen, James vond zichzelf veel intelligenter dan zijn latere baas Isaac Fransen van der Putte.
    In de jaren 1850 treedt James in dienst van het Gouvernement. Hij miste wel een aantal diploma's, maar het netwerk van de gerenommeerde familie Loudon was machtiger. Hij treedt zelfs in het huwelijk met de dochter van de legercommandant. Helaas voor James : zijn vrouw moet voor haar gezondheid terug naar Den Haag en uiteindelijk belandt James weer op een goede positie op het Ministerie van Koloniën, want na 1 jaar wordt hij al benoemd tot Secretaris-Generaal ! Net als bij Fransen van der Putte was James weer zeer laatdunkend over zijn huidige baas, de Minister van Koloniën Rochussen. Zowel James als Rochussen hadden een aantal karaktertrekken gemeen : beiden waren zeer ijdel, maar ook zeer eigenwijs. James ging steeds meer zijn eigen weg, kritiek op zijn besluiten, ook van Rochussen, legde hij naast zich neer, hij wist er nu eenmaal meer van, aldus James. Volgens James leidde hij het Ministerie en niet de Minister, een houding die hij later ook aannam als Gouverneur-Generaal t.o.v. zijn "baas", de Minister van Koloniën !
    Rochussen werd ontslagen en James werd gevraagd hem op te volgend, wat hij, heel slim, weigerde, want het kabinet had niet lang meer te gaan.... In het nieuwe kabinet werd James dus wel Minister van Koloniën, maar nu, helaas voor de eerzuchtige James, viel dit kabinet binnen 1 jaar uit elkaar, ruzies in de Ministerraad....
    Tijdens zijn 1-jarig Ministerschap nam James ( pas 36 jaar ) allerlei vergaande besluiten, zoals je van hem kon verwachten. Waar het omging was wie de bevoegdheid had tot het opstellen van de Indische Begroting en wie was baas over wie, James wist niet van wijken en drukte zijn mening door. De Minister van Buitenlandse Zaken, een schoonzoon van Rochussen, moest wijken voor James en trad af. Ook in de relatie tot Koning Willem III, ook een heethoofd, trad James niet altijd taktvol op. Volgens Willem was hij door James uitgemaakt voor leugenaar : "De Koning begon te snuiven en te blazen van woede. Hij schreeuwde zo hard dat men hem (Willem) op straat kon horen schreeuwen" Maar James, we kennen hem nu wel, hield voet bij stuk en zelfs Willem III moest toegeven. James was diep beledigd door de behandeling van de Koning en vroeg ontslag aan, wat hij later wel weer introk.
    Bij het eerstvolgende kabinet had James er genoeg van, hij weigerde zeer arrogant om weer Minister van Koloniën te worden en weigerde zelfs de post van Minister van Buitenlandse Zaken,weliswaar een veel minder belangrijker post, maar het karakteriseert James ten voeten uit. Tot ieders verbazing werd de 37-jarige James vervolgens benoemd tot Commissaris van de Koning in Zuid-Holland ! Dankzij de vriendschap met Thorbecke hield James het zelfs 10 jaar vol !
    Tijdens zijn Commissariaat had James alle tijd voor het opstellen van voorschriften hoe men hem moest benaderen, goede en overdreven korrekte omgangsvormen, daar draaide het om, aldus James, het zou hem later als Gouverneur-Generaal opbreken...
    James had zijn zinnen gezet op de post van Gouverneur-Generaal, maar net toen Thorbecke hem wilde voordragen, liet de nieuwe Minister van Koloniën Isaac Fransen van der Putte het kabinet vallen. Niet goed voor het al slechte beeld van James voor zijn rivaal (aldus James) Fransen van der Putte ! De volgende Minister van Koloniën De Waal ( zie Een historische herfst wandeling in 1869 in het Haagse Bos ) bood hem eerst nog de post van vice-president van de Raad van Indië aan, maar James ging hier vanzelfsprekend niet op in, het wachten was op zijn hoofdprijs. Zijn geduld werd, dankzij Thorbecke, beloond : op 4 mei 1871 werd James Loudon benoemd tot Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië. Zelfs Willem III vond het een goede keuze, eindelijk iemand die beslissingen durfde te nemen en ze ook doorduwde. Hadden zowel Thorbecke als Willem III geweten, welke ongelukkige besluiten James Loudon nagenoeg eigenmachtig zou nemen : Tjelaka, rampspoed, zou Indië ten deel vallen.Als een koning reisde James naar de Oost, hij reisde zelfs per Franse mailboot door het net geopende Suezkanaal, om al die, toen al lastige journalisten, te slim af te zijn, want die voeren natuurlijk altijd mee met een nieuwe GG en natuurlijk vooral met James Loudon, de nieuwe daadkrachtige GG.
    Een krant noemde hem zelfs bij voorbaat :

    'den Max Havelaar op den Buitenzorgschen Troon'
    .

    Loudon voelde zich zeer gevleid !


    haven_batavia_1870


    Op 1 januari 1872 arriveert James Loudon in de haven van Batavia (de Kleine Boom) en neemt zijn intrek in Buitenzorg.

    buitenzorgpaleis


    Slechts 1 keer per maand onderneemt Loudon, met grote tegenzin, de treinreis naar Batavia. Afstand houden, niet alleen vanzelfsprekend tot de 'inlanders' , maar ook tot zijn eigen ambtenaren : in de ogen van Loudon is hij de Koning van Nederlands-Indië : men komt naar hem voor een audiëntie en graag steekt hij dan een monoloog af en gaat hierdoor diskussies uit de weg. Een van zijn ambtenaren schrijft : " Het is of wij allen doortrapte intriganten zijn, waarvoor hij niet genoeg op zijn hoede kan wezen" Loudon wenst met het vereiste respect te worden behandeld, zoals hij al had uitgeprobeerd als Commissaris van de Koning in Zuid-Holland!

    Van oudsher hadden de opeenvolgende Gouverneurs-Generaal, t.gv. de slechte communicatie met Den Haag, (een antwoord op een brief via Kaap de Goede Hoop.......) in heel veel zaken zich zeer zelfstandig opgesteld. Door de komst van de telegraaf, de stoomboot en, last but not least, de opening van het Suez kanaal probeerde ook Loudon als Minister van Koloniën meer grip te krijgen op de besluitvorming in en over Indië en dan natuurlijk vooral de financiële besluitvorming : wie is verantwoordelijk voor de Indische begroting : Batavia of Den Haag. Loudon als Gouverneur-Generaal week echter niet af van de manier van regeren van zijn voorgangers, ondanks het feit dat hij daar als Minister van Koloniën sterk op had aangedrongen. Net als veel van zijn voorgangers voelde ook en vooral Loudon zich de Koning van Indië, heimelijk had ook hij ongetwijfeld bewondering voor James Brooke die er in slaagde op Noord Borneo zich in 1841 te laten benoemen tot radja van Sarawak geheel onafhankelijk van Groot-Brittannië ( zie De Nederlandse expansie op Sumatra : op weg naar Atjeh... )
    In de eerste brieven naar zijn baas Fransen van der Putte (zie De mening van Multatuli over de Minister van Koloniën Fransen van der Putte (1822-1902) ) laat hij weten dat hij hoopt 'dat onze omgang opregt vriendelijk en loyaal zal zijn' Hij verzoekt ook 'ieders zelfstandigheid te eerbiedigen' (!) en verzoekt ook vriendelijk dat de beleefde omgangsvormen waar hij zo opstaat niet zullen worden verwaarloosd.
    Over Atjeh schrijft Loudon dat een onafhankelijk Atjeh een blijvende bedreiging vormt voor het Nederlandse gezag op Sumatra, dat vond hij al als Minister van Koloniën en hij werd hierin gesterkt door het in november 1871 afgesloten Sumatra tractaat. ( zie Een historische herfst wandeling in 1869 in het Haagse Bos ) In 1873 nam Loudon dan ook een vergaand besluit t.o.v. Atjeh, Den Haag werd weliswaar geinformeerd, maar kon er alleen nog maar mee in stemmen, want de eerste Nederlandse agressie oorlog tegen Atjeh was al door Loudon begonnen. Volgens Loudon had hij immers de bevoegdheid en de middelen om dit besluit te nemen. Zo was hij immers gewend te werken ?



    BACK


    Back to the Dutch East Indies / Nederlands-Indië INDEX


    De mening van Multatuli over de Minister van Koloniën Fransen van der Putte (1822-1902 )

    Fransen_vd_Putte


    Nederlands liberaal staatsman, van 1838 tot 1849 stuurman ter koopvaardij, van 1849 tot 1859 administrateur van een suikerfabriek op Java. In 1862 werd hij lid van de Tweede Kamer en hielp in deze functie mee het kabinet Rochussen omver te werpen. Van 1874 tot zijn dood was hij lid van de Eerste Kamer.
    In de kabinetten Thorbecke (1863-1866), Fransen van der Putte (februari-mei 1866) en De Vries (1872- 1874) was Fransen van der Putte minister van KoloniŽn, in het laatste kabinet bekleedde hij tevens de post van minister van Marine.
    Zijn ontwerp-Cultuurwet, waarin de Javaan Vrije Arbeid zou krijgen, tastte het Cultuurstelsel aan. Dit voorstel werd in 1866 verworpen. Hij had, volgens Multatuli, de Atjeh oorlog nodig om de aandacht af te leiden van zijn onbekwaamheid.

    In Idee 945 schrijft Multatuli:

    `Zo-even vernam ik - Juli '72 - dat men goedgevonden heeft ten tweeden male een man tot minister van KoloniŽn te benoemen, die nooit andere blyken van bekwaamheid of competentie gaf, dat dat hij nog sneller dan anderen enige millioenen uit den Javaan wist te persen.
    De herhaalde benoeming van dien Fransen van der Putte tot minister, is schandelyk, en behoorde een schandaal te zyn. Nooit openbaarde zich de Nederlandse geld aanbidding op brutaler wys. Ben ik dan de enige die zich ergert aan dat wegsmyten van waardigheid?'


    Op 15 december 1871 noemt Multatuli. hem in een brief `eene zeer speciale specialiteit van volstrekte onbevoegdheid'. De Nota over de betrekkingen van Nederland tot het rijk van Atsjin sinds 1824 (anoniem, 's-Gravenhage, 1873)
    van Fransen van der Putte, noemt Multatuli in Idee 1066 een vod. `Het kost me moeite de praatjes van Fransen van der Putte onbeantwoord te laten' schrijft Multatuli op 1 mei 1873 . De `Atjin-zaak' maakt hem zenuwachtig; hij kan deze zaak niet `uit z'n zinnen zetten'


    'Te allen tyde was rykdom een middel tot bederven den invloed. Maar ik geloof dat zelden die invloed zich zo onbeschaamd deed gelden als tegenwoordig.
    Welke aanspraken had de heer Fransen van der Putte om gekozen te worden tot volksvertegenwoordiger, tot minister? Wat had hy verricht? Waaruit was gebleken dat hy bekwaamheden bezat, groot genoeg om die verheffing te billyken? Als de heer Fransen van der Putte te bekwaam was voor z'n betrekking - een onmogelykheid, die wel door hemzelf zal erkend worden - zou 't een bloot toeval wezen. Noch zyn opleiding, noch z'n levensloop leidden daartoe (...)
    Het Nederlandse Volk wist van den heer Fransen Van der Putte dit alleen, dat hy in IndiŽ was ryk geworden nog spoediger dan vele anderen, en ik zou juist hierin een reden vinden om by voorkeur hťm uit te sluiten van allen invloed.
    (...) Ik geloof dat de heer Fransen Van der Putte bekwamer is dan over 't algemeen kan verwacht worden van lieden die zo byzonder bedreven zyn in geldverdienen. Of liever, ik houd hem voor vlug en handig genoeg om onze Tweede Kamer bezig te houden met ęduitenplateryĽ.
    (...) Doch al ware de heer Fransen Van der Putte inderdaad bekwaam, al had hy kennis van indische zaken, dan immers nog is 't een ongerymdheid, in tyden van kwestie over Vry-Arbeid en kultuurcontracten, iemand aan 't hoofd van KoloniŽn te plaatsen, die juist met en door die dingen fortuin heeft gemaakt, en hoogstwaarschynlyk nog altyd belang heeft by de wyze van exploitatie der Javanen (...)
    Daar nu de heer Fransen Van der Putte een joviaal mens is, aangenaam in den omgang - och, dat is zo makkelyk als men niet wordt neergedrukt door zorg. (...) - daar hy zich ęgoed voordoetĽ en de gaaf heeft om onkunde te verbergen onder woorden (...) - zie, dŠŠrom moest de heer Fransen Van der Putte minister zyn. Hy is dit, niet in 't belang derzaken alzo, maar opdat Thorbecke minister blyven zou.'


    BACK


    Back to the Dutch East Indies / Nederlands-Indië INDEX


    De oorlogsverklaring aan het onafhankelijke Atjeh (26 Maart 1873)

    Het Internet heeft grote voordelen
    .
    Een tijd terug ontdekte ik via de automatisch Tracking optie van Copernic deze link. (iedere vrijdagavond worden een aantal searches automatisch geupdate, er komen dus steeds nieuwere links, die niet zo voor de hand liggen : GEWELDIG)

    Via deze link krijg je toegang tot een aantal officiële dokumenten uit de Rijksarchiefdienst. Een paar jaar geleden moest je hiervoor een verzoek indienen en naar Den Haag afreizen....
    En dus heb ik een aantal officiële dokumenten hieronder integraal opgenomen, het leest natuurlijk niet makkelijk, daarom heb ik soms de belangrijkste zinnen in rood weergegeven.


    Zoals reeds eerder besproken (zie De Nederlandse expansie op Sumatra : op weg naar Atjeh... ) was het Nederlandse bestuur in Batavia zeer gevoelig voor geruchten over, laten we het maar noemen, "landje pik" door andere Europese koloniale landen. Ook tegenover de opkomende USA handelde men zeer wantrouwig, want die hadden belangstelling voor de Filippijnen (net ten noorden van Ons Indië), toen nog een Spaanse kolonie tot de USA het inderdaad overnam, idem dito met Cuba !

    Door het in november 1871 afgesloten Sumatra tractaat. ( zie Een historische herfst wandeling in 1869 in het Haagse Bos ) had Nederland op papier weliswaar de soevereiniteit over Atjeh gekregen, maar de ervaring met bijvoorbeeld mensen als James Brooke, die er in slaagde op Noord Borneo zich in 1841 te laten benoemen tot radja van Sarawak geheel onafhankelijk van Groot-Brittannië daartegen helpt een stukje papier niet, want dat had de ervaring met de Corpus Diplomaticum Neerlando-Indicum wel geleerd !! ( zie De Nederlandse expansie op Sumatra : op weg naar Atjeh... )

    Bovendien was natuurlijk een onzekere faktor : hoe zou de sultan van Atjeh handelen, officieel wist de sultan natuurlijk niets over het Sumatra tractaat, maar de sultan voelde goed aan dat de druk op zijn staat steeds groter werd, want hij was bij lange na niet in staat om "de verstoring van den rustigen handel" te verhinderen. (lees : het jutten van een gestrand schip, het soms beroven van handelaren, niet dat de Nederlanders en de Britten dit vroeger nooit gedaan hadden, maar die waren nu al wat beschaafder, want die namen gewoon een heel gebied in "bescherming")

    GG Loudon vond weliswaar dat Nieuw Guinea (waar slechts 3 Nederlandse ambtenaren aanwezig waren, en dat in een gebied vergelijkbaar met Frankrijk) best afgestaan kon worden aan de Italianen, maar van Sumatra moest iedereen afblijven, want dat was te dicht bij Java. Loudon, een zeer arrogante eigengereide man, had het ook altijd zeer vanzelfsprekend gevonden dat Nederland zo'n 20 jaar ervoor, een expeditie naar Bali had gestuurd o.m. omdat een Balinese vorst het had gewaagd te spuwen op een Nederlands wapenschild. Want je plaatste gewoon een wapenschild op een eiland en voortaan was dat eiland van jou.....Worldwide werd het "landje pik" trouwens "formeel" geregeld op het Congres van Berlijn in 1885, waarbij bijvoorbeeld België (als compromis tussen Groot-Brittannië en Frankrijk) Congo cadeau kreeg ! Nederland hield zich toen rustig, want die hadden al genoeg, vond men...

    GG Loudon ging dan ook "door het lint" toen hem geruchten bereikten dat Atjeh kontakt zou hebben gezocht met Italianen en Amerikanen, het zogenaamde "Verraad van Singapore" : het Italiaanse Gouvernement zou een pied à terre in dit gebied zoeken, de Amerikanen waren met een oorlogsschip onderweg naar Atjeh. Uit onderzoek later bleek dat het louter om een gerucht ging, maar de Nederlandse Consul-Generaal Read in Singapore hield het gewoon voor waar : zie de onderstaande brief van Read aan Loudon :

    (Pas in 1883 was 'Den Haag' het er over eens dat "het hoog tijd is Read uit onze dienst te verwijderen", zijn berichtgeving werd niet betrouwbaar geacht..... Read werd dus "op verzoek" ontslag verleend. Nu kunnen we konkluderen dat er slechts één is die er zeker niets aan kon doen dat er een oorlog werd ontketend op basis van geruchten : ATJHEH. Een vrij land mag toch zelf beslissen met wie het praat ?)

    SINGAPORE, 20 Februarij 1873.

    Sedert mijne terugkomst van Bangkok op 13 dezer, heb ik de navolgende informatien ontvangen, welke ik voor het Nederlandsch-Indisch Gouvernement van het hoogste belang acht.
      Mijn berigtgever is TONGKOE MOHAMAD ARIFFIN van Moko Moko op Sumatra, wien ik gedurende de laatste tien jaren bij verschillende gelegenheden zekeren bijstand verleend heb voor welke diensten hij, naar ik geloof, mij thans zijne dankbaarheid wil betoonen; zoodat ik geene redenen heb zijne mededeelingen in twijfel te trekken.
      Naar het schijnt hebben de Atjehsche gezanten gedurende hun verblijf alhier zich tot de consuls van Amerika en Italie gewend, voorzien van een' brief van den Sultan, geadresseerd zoowel aan den consul van Frankrijk als aan dien van Amerika en Italie, waarin hulp verzocht werd, ten einde Atjeh tegen de verdrukkingen der gehate Nederlanders te beschermen, terwijl tevens daarin het aanbod gedaan werd om met die respectieve mogendheden tractaten te sluiten.
      Mijn berigtgever is, zooals hij voorgeeft, door zijn huwelijk verwant met den Sultan van Atjeh, en was tegenwoordig bij het bezoek van de gezanten aan den Amerikaanschen en Italiaanschen consul.
      Den 26sten Januarij des avonds te 9 ure kwamen zij bij den Amerikaanschen consul, die het gezantschap met alle beleefdheid ontving en beloofde onmiddellijk aan admiraal JENKINS in China te zullen schrijven. Vóór hun vertrek werd den gezanten een brief voor den Sultan overhandigd, benevens concept van een tractaat, bestaande uit twaalf artikelen, hetwelk de Sultan van Atjeh verzocht werd te teekenen en daarna naar Singapore terug te zenden.
      Naar hetgeen ik verder vernam, waren de twee partijen overeengekomen dat een Amerikaansch oorlogschip binnen den tijd van ongeveer twee maanden Atjeh zoude bezoeken. De Amerikaansche Consul vroeg mijn' berigtgever uitdrukkelijk of hij mij kende, en beval hem, op zijn ontkennend antwoord, de stiptste geheimhouding aan.
      Den volgenden dag, 27 Januarij, des morgens 11 uur, maakten zij hunne opwachting bij den Italiaanschen Consul, die zijne sympathie voor den Sultan te kennen gaf, en zich bereid verklaarde zijn Gouvernement de noodige mededeelingen te doen, zoodra hij in bezit was van een' specialen brief van den Sultan voor Z. M. den Koning van Italie.
      Intusschen bevindt zich hier ter plaatse kapitein RACCHIA, de diplomatieke agent van Italie in 't Oosten, die met mij per zelfde gelegenheid van Siam terugkeerde.
      Hij deelde mij mede met de Fransche mailboot naar Japan te zullen gaan, doch sedert schijnt hij van voornemen veranderd. Dagelijks worden hier twee Italiaansche oorlogschepen verwacht, welke volgens kapitein RACCHIA'S mededeeling de noord-oostkust van Borneo zouden bezoeken, om te trachten eene concessie voor grondgebied in de nabijheid van Maludubaai te verkrijgen; thans echter zoude de bestemming dier schepen kunnen veranderd worden, en kapitein RACCHIA het plan vormen daarmede naar Atjeh te gaan, daar het Italiaansch Gouvernement een pied à terre " in deze gewesten zoekt, en Poeloe-Way welligt aan het doel zoude beantwoorden.
       Ingesloten bied ik U Hoogedel Gestr. afschriften der telegrammen, aan , welke ik Zijne Excellentie den Gouverneur-Generaal omtrent dit belangrijk onderwerp heb doen toekomen. Den resident van Riouw heb ik de noodige inlichtingen gegeven en TONGKOE MOHAMAD ARIFFIN opgezonden om Z. Hoogedel Gestr. van alle bijzonderheden betreffende deze intrigues deelgenoot te maken. Tevens voeg ik hierbij een' door TONGKOE MOHAMAD ARIFFIN aan mij gerigten brief, welks inhoud het hierin verhandelde gedeeltelijk zal bevestigen.
      De stoomer Patty, gezagvoerder ROURA, arriveerde alhier dan 10den dezer van Rangoon, en zal morgen de reis retour via Penang aanvaarden. Deze gezagvoerder ROURA is dezelfde persoon die in de Atjehsche intrigues gemengd is. Naar men mij heeft medegedeeld, hebben de gezanten zich niet bij het Fransche of Duitsche consulaat vervoegd.
      Het Duitsche oorlogschip Nymphe is in onze haven, wachtende naar men zegt op brieven enz. van China.

    De Consul-Generaal der Nederlanden,
    (w. g.) READ.



    Loudon aarzelt dan ook geen moment : de Minister van Koloniën Fransen van der Putte (geen vriend van Loudon) in Den Haag krijgt de mededeling dat Loudon "geen uur, geen dag" heeft gewacht en direkt een militaire expeditie o.l.v. Generaal-Majoor Köhler en regeringscommissaris Nieuwenhuyzen naar Atjeh heeft gezonden. Met als doel het afdwingen van de erkenning van de Nederlandse soevereiniteit, want die was vastgelegd in een internationaal verdrag (het Sumatra tractaat, waar de sultan, klein detail, officieel dus niet in is gekend) en dus moest de sultan geen verraad plegen, aldus Loudon. Een redenering die nu door iedere beginnende jurist meteen zou worden weggehoond, maar toen golden (blijkbaar) andere gedragsregels!

    Net als bij Fransen van der Putte boterde het ook niet tussen Loudon en Nieuwenhuyzen, maar Nieuwenhuyzen was een beschermeling van Fransen van der Putte en dus moest hij wel mee. Loudon kon niet om hem heen. Na afloop van deze eerste expeditie brak er dan ook prompt ruzie uit tussen Fransen van der Putte en Nieuwenhuyzen enerzijds en Loudon anderzijds.

    Op last van Loudon stelt Nieuwenhuyzen, die niet had geprotesteerd dat hij mee moest, want een beetje roem kan iedereen gebruiken, onderweg de volgende brief op :

    of de sultan binnen 24 uur even wil uitleggen waarom hij in Singapore met vertegenwoordigers van buitenlandse mogendheden heeft laten spreken. De sultan moet wel beseffen dat hij hiermee het verdrag van 30 maart 1857 heeft geschonden. Dit verdrag van "vriendschap, vrede en vrije handel" was ooit afgesloten door de toenmalige gouverneur van Sumatra's Westkust, de Generaal Jan van Swieten (we komen ook hem nog tegen...), met de in 1870 overleden vader Ibrahim van de huidige sultan van Atjeh.

    Hoe kwam dit verdrag van 30 maart 1857 tot stand en wat was dit voor verdrag ?

    (Voor meer details over de toen ook in Atjeh gevoerde burgeroorlog : zie "Het Atjehse verhaal met o.m. enkele nu nog bekende Atjehse oeléëbalangs en oelama's " )

    In de jaren 1850 wordt voor de kust van Atjeh een "oorlog" uitgevochten tussen Atjehse en Hollandse kooplieden die elkaars schepen overvallen en soms dan ook de bemanning vermoorden. Via het eiland Nias proberen de Nederlanders de diverse aan Atjeh onderhorige radja's met geld en exclusieve afspraken aan zich te binden. Ook de Britten in het nabije Singapore mengen zich soms in deze koloniale verdeel en heers politiek. De Sultan van Atjeh doet zijn best om zijn vazallen weer tot de orde te roepen, maar dit lukt niet altijd.
    Plotseling verschijnt dan in 1855 met veel vlagvertoon een Hollands oorlogsschip op de rede van Atjeh. De Hollanders worden niet ontvangen door de getergde Sultan. In 1856 verschijnt weer een Hollands oorlogsschip, de Sultan durft het bezoek nu niet te weigeren, maar schrijft meteen een brief naar Singapore om raad. En wat antwoordden de Britten aan de in het nauw gedreven Sultan : hij moet kontakt opnemen met de Hollanders, alleen die kunnen hem helpen in zijn strijd om de macht over zijn afvallige radja's. En dus doet de Sultan een dergelijk (terecht) verzoek, maar helaas de Hollanders kunnen hem niet helpen : in het in 1824 afgesloten Tractaat van Londen is het de Hollanders niet toegestaan zich te mengen in de binnenlandse aangelegenheden van Atjeh..........wat een redenering........

    Min of meer noodgedwongen tekent de Sultan dan maar toch het hem opgelegde verdrag van "vriendschap, vrede en vrije handel". In dit verdrag (ook wel "Het Tractaat "genoemd) wordt o.m. afgesproken dat

    "Hollandse en Atjehse handelaren overal in de archipel en dus ook in Atjeh kunnen varen, handeldrijven en logeren zonder gekrist of gelyncht te worden; dat langs elkaars grenzen de status quo gerespecteerd zal worden en dat alle vroegere veten wederzijds vergeten en vergeven zijn; dat machteloze schepen in een storm niet meer vernietigd zullen worden en dat geen enkel vaartuig, van welke mogendheid dan ook, meer door iemand gekaapt en geplunderd zal worden. Het eiland Nias zal een min of meer neutrale status krijgen waarbij de Hollanders dus even veel rechten zullen hebben als de Atjehers."

    En dit heet dan eufemistisch een "Verdrag van Vriendschap, Vrede en Vrije Handel"

    In 1858 werd ook een verdrag afgesloten met Siak (grenzend aan Atjeh), waarbij de grenzen van Siak echter zo ruim mogelijk werden beschreven en dus vielen, volgens de Nederlanders althans, ook sommige Atjehse gebieden en havens onder de Nederlandse soevereiniteit, (of zoals dat toen genoemd werd "den Opperhoogheid") zonder dat Atjeh dit wist natuurlijk.
    ( zie De Nederlandse expansie op Sumatra : op weg naar Atjeh... )

    In ieder geval kwam het verdrag van 30 maart 1857 nu toevallig weer goed van pas komt voor de Nederlanders. Volgens de adat die echter gehanteerd werd door vele Oosterse vorsten, dient een verdrag opnieuw bevestigd te worden door de opvolger van de in 1870 overleden Sultan van Atjeh. Uiteraard was dit de Nederlanders bekend, maar we zullen maar zeggen, het was er nog niet van gekomen ?

    De Gouvernements-commissaris aan

    den Sultan van Atjeh.

    Vervolgens breng ik ter kennis van Uwe Hoogheid :

    dat het bij herhaling gebleken is, dat de bestuurders van Atjeh de ernstige voornemens en welwillende bedoelingen miskend hebben, door het Nederlandsch Gouvernement betoond, om de onderlinge vijandelijkheden, welke zeer ten nadeele der algemeene belangen van handel en scheepvaart strekken, in de aan gemeld rijk onderhoorige staatjes te keeren en eene goed geregelde verstandhouding tot dat Gouvernement in 't leven te roepen, en dat zij de deswege gedane dringende vertoogen hebben in den wind geslagen;
    dat zij onlangs met vijandige bedoelingen te Singapore de tusschenkomst van agenten van buitenlandsche mogendheden tegen het Nederlandsch Gouvernement hebben ingeroepen, bij monde van dezelfde gezanten, die onder het masker van vriendschap en goede trouw naar Riouw waren afgevaardigd om aan den resident van dat gewest, van wien zij bescherming ondervonden, uitstel te vragen van de politieke zending, bedoeld bij het Gouvernements-besluit van 31 Augustus 1872 , aan Uwe Hoogheid mede gedeeld bij schrijven van den Gouverneur van Sumatra's Westkust en met een oorlogschip overgebragt door den controleur jhr. KRAYENHOFF ;
    dat de bestuurders van Atjeh door die handelingen artikel één de op 30 Maart 1857 met dat rijk gesloten overeenkomst van vrede, vriendschap en handel hebben geschonden, en ik thans gekomen ben om deswege namens de Regering van Nederlandsch Indie de vereischte schriftelijke opheldering te vragen, - tot het geven waarvan ik den bestuurders van Atjeh een termijn stel van vier en twintig uren ; mij voorbehoudende om, voort na ontvangst dier opheldering, aan de bestuurders van Atjeh te doen kennen, hoedanig naar mijne meening tot eene gewenschte verhouding tusschen het Gouvernement van Nederlandsch - Indie en Atjeh kan worden geraakt, om vervolgens dienaangaande de vereischte besprekingen te openen.

    Geschreven aan boord van Zr. Ms, stoomschip Citadel van Antwerpen, den 22sten Maart 1873.



    De sultan reageert heel keurig en verbaasd. Blijkbaar wachtte hij al 48 dagen op een ander antwoord van de Nederlanders en vraagt hij zich af waarom nu zo'n haast ? Waar gaat het trouwens over ?
    Blijkbaar is er een opmerking gemaakt over de bewapende "inlanders" op het strand, dichtbij het afgemeerde Nederlandse schip. Mijn onderdanen zijn gewoon nieuwsgierig, want normaal ankert daar nooit een schip.
    Tenslotte de meesterlijke slotzin : Ten slotte doe ik opmerken, dat ik het Nederlandsch-Indisch Gouvernement van den wal met een saluut van een en twintig schoten heb begroet, terwijl ik van de zijde van mijn vriend geen contra-saluut heb vernomen.

    Vergeet niet bij het lezen van al deze brieven dat Atjeh al 400 jaar een eigen onafhankelijke soevereine staat is en dus reageert de sultan vanuit deze optiek !

    De Sultan van Atjeh aan
    den Gouvernements-commissaris.

    Wijders deel ik mijn vriend mede, dat ik den brief, door SIDI TAHIL overgebragt, met eerbied heb ontvangen, en na dien te hebben geopend, den inhoud er van goed begrepen heb. Daarin toch staat vermeld, dat mijn vriend binnen vier entwintig uren antwoord van mij verlangt. Thans is het mij aangenaam mijn vriend te doen weten, dat ik mijn dienaar PANGLIMA TIBANG MOHAMAD en de hoeloebalangs die voor den resident van Riouw zijn verschenen, namelijk : TOEKOE NJA MOHAMAD, gemagtigde van TOEKOE KALI MALIKOEL ADIL, TOEKOE NACHODA MOHAMAD SAID, gemagtigde van TOEKOE NANTA SETIA, TOEKOE AKOEB, gemagtigde van TOEKOE NEK RADJA MOEDA SETIA,en TOEKOE NJAH AGAM, gemagtigde van PANGLIMA MESJID RADJA, - met een brief naar genoemden resident heb gezonden, om van hem een uitstel van zes maanden (voor de volbrenging der hem opgedragen zending naar Atjeh) te vragen. Na aldaar te Riouw gedurende acht en veertig dagen op antwoord te hebben gewacht, deelde de resident (den gezanten) mede dat het Gouvernement mijn brief ontvangen had, terwijl hij, resident, Zr. Ms. stoomschip Marnix naar mij toezond. Aldus was de verklaring der vijf genoemde personen. Waarom komt nu het Gouvernement voor dat de (toegestane) termijn van zes maanden verstreken is, en wat is wel onze schuld ? Het Gouvernement gelieve mij zulks mede te deelen, opdat ik het wete. Voorts maakt mijn vriend de opmerking, dat mijne onderdanen gewapend langs het strand loopen. De reden hiervan is, dat het schip, waarop mijn vriend zich bevindt, zeer digt aan den wal geankerd ligt, en het volk, zoodanig schip nog niet gezien hebbende, nieuwsgierig is het (meer van nabij) te bekijken. Ook is de plaats waar dat schip geankerd ligt geen gewone ankerplaats. Mijn vriend, die een beter oordeel omtrent zaken heeft, gelieve zulks niet kwalijk te nemen, en mij morgen antwoord te geven.

    Ten slotte doe ik opmerken, dat ik het Nederlandsch-Indisch Gouvernement van den wal met een saluut van een en twintig schoten heb begroet, terwijl ik van de zijde van mijn vriend geen contra-saluut heb vernomen.

    Geschreven den 25sten Moecharam 1290. (25 Maart 1873.)



    Het kan niet anders : Loudon c.q. Nieuwenhuyzen zijn zeer gepikeerd door het antwoord vanuit Atjeh :

    "in gebreke is gebleven die te verschaffen,maar zelfs de tegen hem ingebragte grieven niet heeft weêrsproken, en daarenboven er toe is overgegaan zich zoo in het oog loopend mogelijk ten strijde toe te rusten, dat daaraan geen andere beteekenis kan worden toegekend dan dat Atjeh het Gouvernement van Nederlandsch Indie moedwillig heeft gehoond en zich op het daardoor ingenomen vijandig standpunt wenscht te handhaven;"

    Kortom : je hebt geen antwoord gegeven, er lopen gewapende mannen op het strand en dus heb je ons moedwillig gehoond.

    En dus zijn wij beledigd en dus verklaren wij jou de oorlog......... en dus kun je hieronder een van de laatste officiële Nederlandse oorlogsverklaringen lezen, waartegen het Acheh Sumatra National Liberation Front -ASNLF nog steeds ageert tot voor de poorten van de Nederlandse ambassade in Jakarta. (de allerlaatste Nederlandse oorlogsverklaringen dateren uit WOII)

    Oorlogsmanifest.

      De Commissaris van het Gouvernement van Nederlandsch Indie voor Atjeh;
            Overwegende:
      dat op het Gouvernement van Nederlandsch Indie de verpligting rust, om de algemeene belangen van handel en scheepvaart in den Oost-Indischen Archipel tegen belemmeringen te beveiligen;
      dat die belangen door de onderlinge geschillen en vijandelijkheden der aan het Rijk van Atjeh onderhoorige staatjes, waarvan enkelen hij herhaling de bescherming van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement hebben ingeroepen, bij voortduring zijn geschaad;
      dat de herhaalde vertoogen van de zijde van dat Gouvernement, om aan zoodanigen toestand een einde te maken en eene goed bevestigde verstandhouding van Atjeh tot hetzelve in het leven te roepen, steeds zijn afgestuit op den onwil en de volslagen onverschilligheid van de bestuurders van gemeld Rijk, en op hunne magteloosheid om in de onderhoorigheden van Atjeh de rust en orde naar eisch te handhaven;
     dat die pogingen onlangs zelfs zijn beantwoord met verregaande trouweloosheid, op een tijdstip dat het Nederlandsch-Indisch Gouvernement met de meest welwillende bedoelingen zich in nadere verbinding met Atjeh heeft gesteld;
     dat de Sultan van Atjeh, deswege nadrukkelijk om opheldering gevraagd, eerst bij het schrijven van den Commissaris van den 22sten dezer, en daarna bij dat van den 24sten daaraanvolgende, niet alleen geheel in gebreke is gebleven die te verschaffen, maar zelfs de tegen hem ingebragte grieven niet heeft weêrsproken, en daarenboven er toe is overgegaan zich zoo in het oog loopend mogelijk ten strijde toe te rusten, dat daaraan geen andere beteekenis kan worden toegekend dan dat Atjeh het Gouvernement van Nederlandsch Indie moedwillig heeft gehoond en zich op het daardoor ingenomen vijandig standpunt wenscht te handhaven;
      dat de bestuurders van dat Rijk zich daardoor hebben schuldig gemaakt aan schennis van het tusschen hetzelve en het Nederlandsch-Indisch Gouvernement op den 3Osten Maart 1857 gesloten tractaat van handel, vrede en vriendschap, en het mitsdien overtuigend is gebleken dat geen staat kan worden gemaakt op de goede trouw van die bestuurders;
      dat het der Regering van Nederlandsch Indie onder deze omstandigheden niet langer mogelijk is, zonder krachtdadige middelen, een zoowel door het algemeen handelsbelang als de eischen van hare eigene veiligheid in noordelijk Sumatra gevorderden staat van zaken te waarborgen;
      Verklaart uit kracht van de magt en bevoegdheid, aan hem door de Regering van Nederlandsch Indie verleend, in naam van die Regering, den oorlog aan den Sultan van Atjeh, waarvan hij overigens bij dit manifest mededeeling doet aan elk wien zulks mogt aangaan, en een iegelijk aandachtig maakt aan alle mogelijke daaruit voortvloeijende gevolgen en aan de verpligtingen, welke in oorlogstijd op iederen burger van den Staat rusten.
      Gedaan aan boord van Zijner Majesteits stoomschip Citadel van Antwerpen, liggende voor Groot-Atjeh, op heden, Woensdag den 26sten Maart 1873.



    Maar de sultan krijgt nog één kans : dat "Uwe Hoogheid de opperheerschappij van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden over Atjeh erkenne" en "het strand door het zich thans daarop bevindend gewapende volk worde ontruimd"

    aan den Sultan van Atjeh.

    Voorts deel ik Uwe Hoogheid mede, dat ik haar op heden morgen ontvangen schrïjven van den 26sten dezer overwogen heb.
    Evenmin als Uwe Hoogheid verlang ik den oorlog; doch de wijze waarop Atjeh het Gouvernement van Nederlandsch lndie tot dusver en vooral nu laatstelijk weêr bejegende, heeft den oorlog onvermijdelijk gemaakt, ten ware Uwe Hoogheid van hare opregte ge-zindheid doe blijken, om tot het Gouvernement van Nederlandsch Indiein eene verhouding te komen, welke een afdoenden waarborg tegen verdere verwikkelingen oplevert.
    Het eenige middel daartoe is, dat Uwe Hoogheid de opperheerschappij van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden over Atjeh erkenne.
    Hiertoe geef ik haar tot Zaturdagmiddag, den 29sten dezer maand Maart, den tijd.
    Is de erkenning der souvereiniteit van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden over Atjeh alsdan niet door Uwe Hoogheid gedaan, dan zal onherroepelijk tot het openen der vijandelijkheden worden overgegaan, waartoe ik, behalve de hier reeds aanwezige oorlog-schepen, binnen enkele dagen over eene hoogst aanzienIijke strijdmagt, welke van Batavia in aantogt is, zal kunnen beschikken.
    Ik moet Uwe Hoogheid evenwel doen opmerken, dat ik de vijandelijkheden, waarmede ik juist op het oogenblik dat haar voormeld schrijven mij gewerd een aanvang wilde maken, alleen dan zal staken, wanneer Uwe Hoogheid zorg draagt dat het strand door het zich thans daarop bevindend gewapende volk worde ontruimd, elke arbeid aan de daar aanwezige bentings ophoude en geen sndere bentings worden opgerigt. Morgen ochtend, bij het aanbreken van den dag, behoort aan deze voorwaarde ten duidelijkste te zijn voldaan.
    Geschreven aan boord van Zr. Ms. oorlogschip Citadel van Antwerpen, op Donderdag den 27sten Maart 1873



    De sultan reageert met : "maak ik mijn vriend mijn wensch kenbaar, dat hij mijn land niet verwoeste" De sultan kent de Nederlanders maar al te goed en helaas voor hem, het land zal eerst moeten worden verwoest, erna kan pas met het bijbrengen van de Westerse beschaving worden begonnen : zie Multatuli : gegarandeerd heeft de sultan dit gelezen !

    De Sultan van Atjeh aan

    dem Gouvernements-commissaris.

    Wijders maak ik mijn vriend mijn wensch kenbaar, dat hij mijn land niet verwoeste. Wat nu het verlangen van mijn vriend is, dat moge de Allerhoogste vervullen, en vervolgens ben ik het, die 't vervullen zal.
    Het moge mijn vriend voorts behagen zijn antwoord op dezen brief te overhandigen aan brenger dezes, genaamd LEBEH MOHAMED.



    Loudon c.q. Nieuwenhuyzen begrijpen niet waar de sultan het over heeft, trouwens uw brief is niet gedateerd (!) : de sultan hoeft toch alleen maar de Nederlandse soevereiniteit te erkennen, dat is toch niet zo moeilijk ?. Oh ja, een grote krijgsmacht is onderweg, dus heeft de sultan het zelf in de hand of zijn land verwoest gaat worden.

    De Gouvernements-commissaris

    aan den Sultan van Atjeh

    Ik ontvang zoo even een schrijven zonder dagteekening vau Uwe Hoogheid, bevattende de mededeeling :

    Wijders maak ik mijn vriend mijn wensch kenbaar, dat hij mijn land niet verwoeste. Wat nu het verlangen van mijn vriend is, dat moge de Allerhoogste vervullen, en vervolgens ben ik het, die 't vervullen zal.

    Deze mededeeling is mij niet duidelijk en ik verzoek Uwe Hoogheid mij alsnog stellig en bepaald mede te deelen, of zij de souvereiniteit, van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden over het rijk van Atjeh erkent, ja dan neen.
    Van Haar antwoord op dezen brief wordt het al of niet staken der vijandelijkheden door mij afhankelijk gemaakt.
    Ik moet Uwe Hoogheid daarbij tevens doen opmerken, dat de aanzienlijke krijgsmagt, welke door mij van Batavia wordt verwacht tot voortzetting van den oorlog, hier elk oogenblik kan aankomen, en dat, zoo Uwe Hoogheid de rampen van den ooglog verder aan Haar land wil besparen, het geraden is Haar antwoord op dit mijn schrijven geen oogenblik langer dan noodig te doen uitblijven.

    Geschreven aan boord van Zr. Ms. stoomschip Citadel van Antwerpen, den 30sten Maart 1873.



    Tot zelfs in 2001 dreunt de Nederlandse oorlogsverklaring aan het onafhankelijke Atjeh nog door, aldus de Volkskrant op 29 maart 2001 :

    volkskrant 29 maart 2001

    Maar terug naar 1873 :

    Multatuli schreef over Frederik Nicolaas Nieuwenhuijzen (1819-1892) het volgende : secretaris in Bagelen ten tijde van Multatuli's werkzaamheden aldaar (1846-1848).
    Eens is Multatuli kwaad geworden op Nieuwenhuijzen, omdat die een verandering had aangebracht in een brief aan een assistent-resident`om een dief te vangen'. Verder zou hij over hem gezegd hebben: `De resident behandelde mij zeer lief. De secretaris Nieuwenhuijzen, van mijn jaren en diensttijd viel het wat zwaarder. ik heb mij niet over hem te beklagen maar hij was stijfjes. Overigens een zeer knap mensch' .

    Nieuwenhuijzen werd assistent-resident van Makassa, resident van Solo (Soerakarta) en later vice-president van de Raad van IndiŽ. In die functie ging hij in 1873 naar Atjeh, waar hij op 26 maart de sultan de door Gouverneur-Generaal Loudon getekende oorlogsverklaring overhandigde.


    De Nederlandse troepen waren slecht voorbereid, Loudon dacht dat dreigen wel genoeg zou zijn, gewend als hij was om steeds zijn zin te krijgen.

    grootatjeh

    Direkt na de landing op het strand werden ze al aangevallen door zeer goed bewapende fanatieke, vaak in het wit geklede, Atjehse krijgers. Door de heftige tegenstand verliep de opmars naar de dalam van de sultan zeer traag, dit was men niet gewend....Meestal waren de Nederlanders beter georganiseerd dan hun tegenstanders, maar nu was het andersom. Zelfs de oorlogsschepen voor de kust werden beschoten.

    javabode telegram

    de (te) optimistische Java Bode (April 1873)

    Op 11 april 1873 dachten de Nederlanders de dalam bereikt te hebben, het bleek een moskee te zijn.

    Missigit Beitoe Rahman 1895

    Foto uit 1895 : de Missigit Beitoe Rahman, net weer opgebouwd door de Nederlanders


    Na de ontruiming namen de Atjehers weer bezit van de moskee en de Nederlanders griezelden van het krijgsgehuil dat erna opstak vanuit de moskee, dit hadden ze nog nooit meegemaakt...

    Generaal Köhler

    Een paar dagen later liet Generaal Köhler de moskee weer aanvallen, waarbij hij, zittend onder de later beroemd geworden Köhler boom , sneuvelde.

     Köhler boom

    De Köhler boom

    Zijn opvolger, Kolonel van Daalen, (een naam die we nog vaak tegen zullen komen) had geen instrukties ontvangen en trok dus volledig onvoorbereid op naar de echte dalam, maar deze aanval werd volledig afgeslagen. Van Daalen gaf het op en trok met de troepen terug naar het strand en scheepten zich weer in voor de terugtocht naar Loudon, wachtend in Batavia. De op de terugweg naar het strand begraven lijken van omgekomen Nederlandse militairen werden door de Atjehers vernield. De lijken werden soms in stukken gehakt.


    De Eerste Nederlandse Agressie oorlog tegen Atjeh was volledig mislukt met aan Nederlandse kant meer dan 50 doden (w.o. de Bevelhebber Generaal Köhler) en 500 gewonden.

    De op een na grootste nederlaag van de koloniale troepen : de grootste nederlaag werd in 1894 geleden op Lombok : hierbij vielen 100 doden en 250 gewonden.

    Op 24 april 1873 schrijft Multatuli :

    `Ik ben (schoon anders wťl) zenuwachtig van Atjin. Daarby komt dat ik de meeste personen die daarin 'n rol spelen zoo goed ken. Loudon, Nieuwenhuijzen, van Daalen! (...) Loudon en Nieuwenhuijzen zyn ook achtenswaardige menschen. Maar... maar... er is iets anders noodig!'

    Generaal Köhler werd, ruim een eeuw later in 1978, ceremonieel herbegraven in Banda Aceh, (zie de foto onderaan op de link).

    BACK


    Back to the Dutch East Indies / Nederlands-Indië INDEX


    De verwerking van de nederlaag, gevolgd door de tweede expeditie

    Zowel GG Loudon in Batavia als de Minister van Koloniën Fransen van der Putte in Den Haag waren zeer onthutst over het resultaat van de militaire expeditie. Men was er immers zo aan gewend dat de "inlander" zich liet overbluffen door een Westerse militaire 'acte de présence', soms was het nog wel eens nodig om de belangrijkste plaats op een eiland te verwoesten en vervolgens te bezetten, waarom werkte deze kanonneer politiek nu in eens niet bij Atjeh ???
    De koloniale concurrenten keken er van op dat de Nederlanders niet eens wisten waar de dalam van de sultan lag, in plaats hiervan een moskee hadden veroverd en die weer hadden verlaten ! En toen toch maar weer geprobeerd de moskee te heroveren.....

    GG Loudon was zelfs persoonlijk beledigd en dus begint het Zwarte Pieten spel, waarin Loudon zeer bedreven is. Niet hij heeft gefaald, maar de militairen.

    Wat GG Loudon natuurlijk volledig had onderschat was de felheid, de vuurkracht en het fanatisme van de Atjehse reaktie! Het koloniale leger had hier ook duidelijk niet op gerekend, hoe konden ze ook. Altijd was dreigen, en evt de hoofdplaats verwoesten, voldoende geweest voor de erkenning van de Nederlandse soevereiniteit.

    En dan die arme Nieuwenhuijzen : ga je mee voor wat roem, wordt het een volledige mislukking. Tot overmaat van ramp was soms tijdens de Nederlandse akties de verbinding tussen het schip, waar Nieuwenhuijzen (heel verstandig...) niet vanaf was geweest, en Batavia verbroken geweest. En dus moest Nieuwenhuijzen, soms zonder overleg met de zeer eigengereide "Koning van Nederlands-Indië" Loudon, eigen beslissingen nemen. Van Daalen was verslagen terug gekomen, had hij dan moeten bevelen om weer terug te gaan ? Zo zelfstandig was hij nu ook weer niet, bovendien was Loudon niet zo gecharmeerd van hem.

    Nieuwenhuijzen was slim en kwam pas later terug dan de militairen, toch een beetje bang voor de reaktie van Loudon. Maar die heeft de schuld dan allang naar het militaire bordje doorgeschoven. De hoofdschuldigen worden de kolonels, zoals Van Daalen, die na het sneuvelen van Generaal Köhler het bevel hadden moeten overnemen. In de pers worden de kolonels "moesson-kolonels" genoemd, een niet zo'n vleiende uitdrukking, blijkbaar....
    Loudon gaat weer zeer voortvarend te werk en, heel uniek voor die dagen, gelast een onderzoek naar de schuldvraag van de militaire nederlaag. De militairen vergeven dit Loudon niet, zij waren al vernederd door de nederlaag en nu "HIJ" ook nog. Een burger (ook dat nog) wordt voorzitter van de commissie, waarin o.m. ook Generaal Verspijck (ook hem komen we nog tegen) wordt opgenomen. Loudon had weliswaar zelf toestemming gegeven om terug te keren, maar niet dan met de 'grootsten weerzin' en dus was hij niet schuldig.

    De commissie onderzoekt o.m. de rol van de besluiteloze Nieuwenhuijzen en komt tot bijvoorbeeld de volgende konklusie :

    " De dubbelhartigheid van den Heer Nieuwenhuijzen is en blijft voor geene kwalifikatie vatbaar. Zonder zich met de kolonels te verstaan heeft hij eerst om versterking geseind. Daarna in overleg met de kolonels het zenden van versterkingen een halven maatregel genoemd, den toestand voor onhoudbaar verklaard en verlof tot terugtrekking gevraagd. Doch pas had hij de machtiging ontvangen of hij verhaalde aan iedereen die het maar horen wilde, dat men had moeten blijven en versterking afwachten"

    Die laatste zin schiet bij Loudon in het verkeerde keelgat, want dat had Nieuwenhuijzen hem niet verteld na zijn verlate terugkomst uit Singapore. De bom barst, want volgens Loudon heeft Nieuwenhuijzen hem zo laten vallen ("verraden") en Nieuwenhuijzen wordt door Loudon voorgedragen voor ontslag op staande voet. Mocht de Minister van Koloniën Fransen van der Putte anders besluiten, zo stelt Loudon, dan moet hij hem, Loudon, maar ontslaan. Fransen van der Putte, als beschermheer van Nieuwenhuijzen, sputtert nog tegen, maar hij kan niet anders en Nieuwenhuijzen wordt "op eigen verzoek eervol ontslagen, onder dankbetuiging voor de aan het Vaderland bewezen diensten". Loudon is woedend, nu lijkt het net of hij de schuldige wordt !

    De eens zo populaire GG Loudon krijgt nog meer beledigingen te verwerken. Gesteld als hij is op goede manieren, is hij des duivels als op een receptie ter gelegenheid van de verjaardag van de Koningin, de volledige legertop schittert door afwezigheid. Ook de pers, waar hij door z'n arrogante opstelling toch al niet zo geliefd was, wordt steeds feller. Een neef van de moesson-kolonel Van Daalen, hoofdredacteur van een krant, wordt tot een gevangenisstraf veroordeeld wegens belediging van Loudon.

    Het eindrapport van de door Loudon ingestelde commissie verschijnt pas na jaren en dan is niemand er meer in geinteresseerd, want in de tussentijd is een nieuwe expeditie uitgezonden, want daar was iedereen het wel over eens :

    de schande van de nederlaag moet worden uitgewist
    .
    De Minister van Koloniën Fransen van der Putte verklaart in de Tweede Kamer : "De Kompenie Belanda (= het Nederlandse gezag) kan wel eens het hoofd stoten, maar de Kompenie Belanda komt steeds terug : dat is ons Nous maintiendrons "

    Voor de tweede expeditie, die uiteindelijk van start zou gaan op 11 november 1873, neemt Loudon weer een omstreden besluit :

    Generaal Verspijck (lid van de onderzoekscommissie en bevriend met Nieuwenhuijzen) was weliswaar aangewezen als commandant, maar moet het oppercommando overlaten aan de veteraan, Generaal Jan van Swieten. Van Swieten was al met pensioen, maar moet nog één keer opdraven. Verspijck neemt prompt ontslag, maar dit wordt niet ingewilligd. Na de tweede expeditie dient hij zijn ontslag opnieuw in en pas nu wordt het goedgekeurd.

    Generaal van Swieten

    Van Swieten bereidt zich, in tegenstelling tot de voorbereidingen onder Generaal Köhler voor de eerste expeditie, militair zeer goed voor. Loudon wordt ongeduldig, maar van Swieten laat zich niet opjagen. Een enorme troepenmacht wordt uitgerust, nog niet eerder worden zoveel manschappen en goederen verscheept. Voor de kust van Atjeh verschijnen dan ook 18 oorlogsschepen, 7 vrachtschepen, 12 kleinere schepen, 2 patrouille vaartuigen en 22 troepenschepen : een voor die dagen enorme (en dure) troepenmacht van bijna 13.000 personen, waaronder 3.000 dwangarbeiders (kettingberen genoemd) en meer dan 200 vrouwen. De laatsten gingen niet alleen mee voor de was...

    grootatjeh

    De landing vindt plaats op 9 december 1873 op de moeraskust van Noord Atjeh. Van Swieten stuurt een brief naar de sultan met het verzoek "om het krijgsgebruik van beschaafde volken in acht te nemen, dus het mishandelen en dooden van krijgsgevangenen tegen te gaan" De sultan antwoordt niet eens, de Javaan die de boodschap brengt, wordt gedood.

    Ten gevolge van de weer grote tegenstand op het strand, onder leiding van een broer van de sultan, lukt het de invasiemacht pas om, na 8 dagen van zeer felle gevechten, vanaf het strand verder te trekken. Het doel is weer die moskee, want de nationale eer was immers in het geding.

    Missigit Beitoe Rahman 1895

    Foto uit 1895 : de Missigit Beitoe Rahman, net weer opgebouwd door de Nederlanders


    Na weer zware gevechten, met aan beide zijden veel doden en gewonden, trekken de Nederlanders op 6 januari 1874 (voor de derde keer in 10 maanden) weer de moskee binnen.

    Men gaat vanuit de bezette moskee op zoek naar de dalam van de sultan, op 24 januari wordt deze zonder veel tegenstand veroverd. Van Swieten is opgelucht en roept de beroemde woorden "De kraton is ons" en laat de champagne aanrukken. De meegebrachte militaire kapel speelt "Wien Neerlands Bloed".

    Direkt na de verovering werd de dalam in kaart gebracht, via deze link kun je de dalam plattegrond bekijken.

    Loudon ontvangt telegrammen met de tekst : "Alles doet geloven dat de strijd gestreden is. Bekenden van het volkskarakter zeggen, dat onderwerping van allen kan worden verwacht. Blijken, dat het volk de oorlog moede is en zich overwonnen acht, nemen toe" en was dus blij. In Nederland gingen de vlaggen uit, volgens het koloniale recht was Atjeh nu onderworpen, want de dalam, de hoofdplaats dachten de Nederlanders, was bezet en niet eens verwoest, want de tegenstand was te verwaarlozen geweest.

    Wat Van Swieten niet wist was dat de dalam de nacht ervoor was verlaten, de jonge sultan, met zijn 3-jarig opvolger Mohamad Daud, was al veel eerder vertrokken. Van de Nederlandse troepen waren al 60 man gestorven aan de cholera, de sultan was bang dat ook hij besmet zou worden en was om deze reden weggetrokken. Helaas bleek de sultan toch al besmet en stierf op 29 januari.

    Zijn 3-jarige, ook uit de dalam meegevoerde opvolger Mohamad Daud, door de Nederlanders de pretendent-sultan genoemd, begon een zwerftocht die 30 jaar zou duren ! Hij gaf zich pas in 1903 over aan van Heutsz.

    Dat de sultan op 29 januari was gestorven hoorden de Nederlanders pas veel later, bovendien onderschatten zij de rol en het gezag van een sultan. De werkelijke macht lag in deze tijd in handen van andere leiders, de oeléëbalangs en oelama's .

    In de praktijk hadden de Atjehers zich dus helemaal niet overgegeven, voor hen begon het pas. In april 1874 vallen de, weer in witte kleding gehulde, Atjehers massaal aan en lijdt de opvolger van Van Swieten, kolonel Pel, een gevoelige nederlaag. Terwijl Van Swieten als held wordt ingehaald in Batavia, is van de totale Nederlandse troepenmacht al 25% uitgeschakeld (ziek, gesneuveld of gewond). Kolonel Pel kan niets anders doen dan zich terugtrekken in een door een verdedigingslinie omheind gebied van ca 50 vierkante km. Niet meer dan ca 0.1% van Atjeh is gepacificeerd. Kolonel Pel wordt bevorderd tot Generaal Majoor en sneuvelt in 1876.

    van pel

    Generaal-Majoor van Pel


    De kosten waren gigantisch geweest : de twee expedities hadden meer dan 16 miljoen, negentiende eeuwse, guldens gekost, vier jaar later had het totaal al meer 160 miljoen gulden gekost. Achteraf wordt vaak gezegd dat vanaf deze periode de winsten uit Nederlands-Indië voorbij waren. En dat alles dankzij de overhaaste beslissing van GG Loudon en natuurlijk het verzet van de zeer religieuse Atjehse bevolking.

    Hoe het afliep met Loudon ?


    Militaire WillemsordeOp 2 mei 1874 wordt Van Swieten als een held ingehaald in Batavia, Loudon staat natuurlijk vooraan. Onder de teruggekomen militairen weer een (andere) neef van de moesson-kolonel Van Daalen : Loudon komt aanlopen en steekt zijn hand vast uit, Van Daalen weigert die te schudden, ook niet na een dienstbevel van Van Swieten. En dat alles voor iedereen zichtbaar. Loudon is witheet en ontslaat Van Daalen op staande voet, een commissie komt eraan te pas, maar Loudon geeft geen krimp. Van Daalen wordt eervol ontslagen, maar krijgt zijn verdiende Willemsorde niet.

    Een zoon van deze Van Daalen komen we ook weer later tegen in het tijdperk van het Van-daal-isme... De naam Van Daalen blijft verbonden met Atjeh !


    In dezelfde maand wordt het 25-jarige regeringsjubileum gevierd van Koning Willem III : Van Swieten krijgt de Willemsorde, Verspijck krijgt iets, Fransen van der Putte krijgt iets en zelfs Nieuwenhuijzen schijnt iets gehad te hebben. Je voelt het al : Gouverneur-Generaal Loudon krijgt NIETS.


    Meer irritaties tussen Loudon en Fransen van der Putte volgen, uiteindelijk zijn beide heren niet meer 'on speaking terms' en dient Loudon zijn ontslag in, wat meteen wordt geaccepteerd. Op 27 maart 1875 neemt hij afscheid van zijn paleis. Een tijdgenoot schrijft :" De arrogantie die Loudon aan den dag legt, ging alle perken te buiten"
    Wel is nu eens en voor altijd duidelijk wie de baas is : de minister of de Gouverneur-Generaal. Als de laatste GG Van Starkenborgh Stachouwer in 1936 kennis maakt met de Minister van Koloniën Colijn lopen zij samen op naar het portret van Loudon en maakt Colijn hem attent op de korte ambtstermijn van Loudon : de boodschap is duidelijk, Colijn is de baas...

    Loudon trekt zich verbitterd terug in Brussel, maar voor de opvoeding van zijn kinderen moet hij toch weer verhuizen naar Den Haag, waar hij er natuurlijk wat uit ligt. In 1884 wordt hij verheven in de adelstand, voortaan is het Jonkheer Loudon. Voor Loudon het summum. Zijn zonen falen niet, zoon John is zelfs Minister van Buitenlandse Zaken tijdens WOI, in tegenstelling tot zijn vader een behoedzaam iemand !
    Zoon Hugo was in 1898 een van de leiders van de olieboringen in, jawel, Atjeh. Hij was de man die bij van Heutsz aandrong op een concessie in een gebied wat nog niet gepacificeerd was en of van Heutsz dat even wilde doen. Een neef van de Loudon's was een hoge juridische ambtenaar op het Ministerie van Koloniën. Beide Loudons wilden de Atjehse olie alleen maar oppompen en niet in Atjeh verwerken, van Heutsz was hier echter wel voorstander van, de winsten van de Atjehse olie zouden Atjeh dan welvarender maken en zorgen voor werkgelegenheid en dus de nodige rust. Eén keer raden wie deze principiële diskussie verloor, fout : van Heutsz!



    Via de onderstaande thumbnail foto kun je het volgende bekijken :

  • Luitenant-generaal J. van Swieten, regeringscommissaris en opperbevelhebber; en generaal-majoor G. M. Verspijck, tweede bevelhebber, in de dalam, triomfantelijk op een naar Bronbeek overgebracht kanon.

    'De kraton is ons'


  • BACK





    De_kraton_is_ons.jpg

     

    Back to the Dutch East Indies / Nederlands-Indië INDEX


    Generaal Eenoog en de geconcentreerde linie

    Generaal Eenoog

    Een van de opvolgers van kolonel Pel was Generaal van der Heijden. Toen hij in dienst trad (1876) waren de ergste problemen met de dodelijke ziektes onder de koloniale troepen een beetje achter de rug, al stierven er in dat jaar nog bijna 1500 man.

    Hij begon met een landing van 3000 man ergens op de NO kust. De plaatselijke radja erkende na een korte felle strijd de Nederlandse soevereiniteit, maar de voornaamste bergvesting Batè Ilië, een religieus centrum, kon niet veroverd worden. Van der Heijden was een van de eerste bevelhebbers die besefte dat het veroveren van een religieuse plaats als Batè Ilië belangrijker was dan het laten erkennen van de Nederlandse soevereiniteit door de plaatselijke radja!

    In 1880 probeerde hij tevergeefs weer opnieuw Batè Ilië te veroveren : bij deze laatste aktie verloor hij zijn oog, waardoor hij prompt door de Atjehers Generaal Eenoog werd genoemd. Aangezien Batè Ilië niet veroverd kon worden bleef het "onrustig" in dit gebied en kwam de pacifikatie door de Nederlanders niet op gang. Pas onder Van Heutsz lukte het om in 1904 Batè Ilië te veroveren.
    Generaal Eenoog's nederlaag was gewroken, aldus Van Heutsz. Tijdens de artillerie beschieting van Batè Ilië door de troepen van, op die dag 50 geworden (leuke verjaardag), Van Heutsz, werd de wereldberoemde foto gemaakt die door de lichaamshouding van Van Heutsz ("de buik naar voren") het Nederlandse imperialisme ging symboliseren.

     gglandsberge

    GG Van Landsberge

    Op aandrang van de nieuwe GG Van Landsberge trok Generaal Eenoog met een colonne van 3000 man rond door Groot-Atjeh. In 1879 voerde Generaal Eenoog diverse "voorbeeldloze tuchtigingsakties" uit waarbij, volgens de Held van de Tweede Expeditie Generaal Jan van Swieten, 30.000 Atjehers werden gedood en 500 kampongs waren verbrand.

    "Groot-Atjeh is één rokende puinhoop : een verbitterd volk en een verwoest land dat de winsten uit Nederlands-Indië doet verdampen, alle beschikbare militaire middelen opeist en met bajonetten bezaaid moet worden om het betrekkelijk kleine deel dat veroverd is te kunnen behouden."

    De Nederlanders bleven ook koortsachtig op zoek naar de "leiders" en waren totaal onwetend van het feit dat het gezag van de sultan werd overtroffen door dat van de oeléëbalangs en oelama's . In deze jaren was er in Atjeh dan ook nauwelijks sprake van een centraal gezag, voor vele Atjehers hoorde vechten bij de dagelijkse bezigheden... Elk dorp was versterkt, elke man droeg een geweer, klewang ("zwaard") en rentjong ("kris"). En net in deze periode begonnen de Nederlanders hun veroveringsoorlog.
    Veel oeléëbalangs en oelama's spraken daarop prompt van een Jihad ("heilige oorlog") tegen de ongelovige kaphees ("christenhonden") oftewel de Nederlanders, waarbij veel roem en eer te halen was, want "de Nederlanders waren gekomen om de Islam te doden". Sterven in de strijd tegen de Nederlanders gaf automatisch recht op een plaats in het paradijs. Na het uitspreken van gebeden hulden veel Atjehers zich in het wit en zochten, soms massaal, de heldendood in de strijd tegen de ongelovige kaphees Nederlanders, die nauwelijks of niet wisten wat hun overkwam.

    De Nederlanders vochten voor de soevereiniteit over Atjeh waar zij, volgens het Tractaat van Sumatra, "recht" op hadden. De Atjehers vochten de Jihad om het eeuwige leven te verkrijgen met als middel de oorlog tegen de kaphees Nederlanders. De Atjehse leider Chik di Tiro wilde best praten met de Nederlanders over een eventuele vrede mits de Nederlanders zich bekeerden.... Kortom een oorlog met totaal verschillende uitgangspunten !

    Twee werelden die botsten....


    Abdoerrachman

    Een van de eerste leiders met wie de Nederlanders te maken kregen was Habib Abdoerrachman el Zahir. Men vond het een groot politiek succes toen Habib Abdoerrachman el Zahir bereid bleek te zijn naar Mekka te vertrekken, mits hij jaarlijks vanuit Batavia een jaargeld zou krijgen van $10.000,=, voor die tijd een gigantisch bedrag. Op 24 november 1878 werd hij inderdaad, inklusief familie en wat volgelingen, door een Nederlands oorlogsschip naar Djeddah overgebracht. Voor zijn vertrek en ook tijdens zijn verblijf in Mekka stuurde hij vele brieven naar Atjeh met de oproep onderhandelingen aan te gaan met de Nederlanders. De Nederlanders waren gewend aan dit soort omkopingspraktijken en dachten een goede slag geslagen te hebben. Helaas, dachten de andere oeléëbalangs en oelama's er anders over. Habib Abdoerrachman el Zahir was in hun ogen iemand die de goede zaak had verraden en dus niet in het paradijs zou komen, dankzij de kaphees Nederlanders. En voerden zelfs wraakakties uit om het verraad van Habib Abdoerrachman el Zahir te wreken.

    Ondertussen liepen de kosten en soms ook de verliezen door het leger steeds verder uit de hand. Zo werden Nederlandse kolonnes vaak begeleid door "horden Atjehers", de zogenaamde thuisbrengers. Soms lukte het zelfs niet eens om een volgende Nederlandse post te bereiken omdat de "weg" er naar toe vol stond met nieuwsgierige Atjehers, waarvan de meesten gewapend met de door de Nederlanders ook later toegepaste klewang. De Nederlandse troepen waren toen nog uitgerust met zogenaamde

     hooivorken

    hooivorken

    zeer lange vuurwapens met op het eind een lange bajonet. Voordat je deze hooivork in de aanslag had, was de Atjehse klewang vaak al veel sneller. Meestal werden ook als eersten de nauwelijks gewapende mannen aangevallen die de kanonnen moesten vervoeren en bedienen. De vuurkracht van een modern leger werd zo zeer effektief geblokkeerd.
    Bovendien overstroomden vaak de velden met water en veranderden in moerassen. Alleen via modderige dijkjes kon die traditioneel aaneengesloten kolonne verder trekken. Met de blauwe uniformen en de witte slobkousen was de kolonne een keurig doelwit voor de overal verstopte Atjehers. Verbrak de kolonne de gesloten formatie : de ongelukkigen die dit overkwam, kregen dan vaak een klewang aanval te doorstaan, wat de meesten niet overleefden. Veel Atjehers waren in staat om met één uithaal de schouder tot diep in het lichaam te klieven. Sommige Nederlandse soldaten droegen platgeslagen blikjes op hun schouders... Bij de oprichting van het korps marechaussee werd ook door de Nederlanders de klewang ingevoerd. Sommige KNIL-ers werden toen even bedreven in het hanteren van de klewang.....Had je dan het geluk om de volgende post te bereiken, dan stond deze vaak vol water, want het was niets voor niets dat veel Atjehse huizen op palen of verhogingen werden gebouwd.

    De stranding van het Britse schip de Nisero in 1883 met aan boord een internationale bemanning, bracht alles in een stroomversnelling. De plaatselijke radja had weliswaar de Nederlandse soevereiniteit erkend, maar eiste toch een losgeld. De Atjehse oeléëbalang teuko Jit deed een slimme zet : de brief met de eis tot losgeld werd zowel naar de Nederlanders als de Britten gestuurd. De Britten werden uiteindelijk zeer boos, toen bleek dat de Nederlanders in dit gebied toch nauwelijks iets te zeggen hadden, wat wel ooit was afgesproken. (Tractaat van Sumatra) Kortom, de Nederlandse eer was weer eens in het geding.
    Helaas liep de eerste Nederlandse militaire reddingsaktie uit op een fiasco, de gijzelaars werden prompt nog dieper weggestopt en het losgeld werd verhoogd. De Britten stuurden een onderhandelaar die, door de Nederlanders naar de radja moest worden gebracht, oh wat een gezichtsverlies. Met als resultaat dat de Britten officieel bemiddeling aanboden bij het tot stand brengen van vrede in Atjeh. Met een beroep op het Nederlandse gezichtsverlies werd dit aanbod beleefd afgeslagen.
    Ondertussen werd Teuku Umar ingeschakeld, deze poging liep echter op niets uit, omdat Teuku Umar door Nederlandse officieren als de eerste de beste koelie werd behandeld.

    Tijdens een nachtelijk paniek debat in de Tweede Kamer dook plotseling een brief op van Generaal b.d. Jan van Swieten met een zeer simpel voorstel : "Waarom voeren we de reddingsakties niet uit samen met de Britten ?"
    Aldus geschiedde en niemand leed gezichtsverlies. De Britten waren al lang blij dat ze zich niet alleen in dat wespennest Atjeh hoefden te steken. Detail : de onderhandelingen met de Britten, over het gezamenlijk optreden, werden gevoerd door de neef van de moesson-kolonel Van Daalen, de ex-hoofdredacteur van een krant op Java, die tot een gevangenisstraf was veroordeeld wegens belediging van GG Loudon. Wat zou Loudon hiervan gedacht hebben ??
    Bij het naderen van de gezamenlijke Brits / Nederlandse vloot koos de radja eieren voor zijn geld, als beloning kreeg hij 100.000 daalders, teuko Jit 10.000 daalders.

    Tijdens de Nisero affaire werd ook een besluit genomen over de volgende reeds lang klaarliggende plannen :

  • De gehele Atjehse kust zal, met toestemming van de Britten, worden geblokkeerd
  • Er wordt, in afwachting van de definitieve overgave van heel Atjeh, een geconcentreerde linie gebouwd om het gebied wat door de Nederlanders wordt beheerst.


  • Door de blokkade èn door binnen de geconcentreerde linie "het welzijn en de welvaart van de inlanders" te verhogen èn door het voeren van een verdeel en heers politiek met de oeléëbalangs en oelama's buiten de geconcentreerde linie zullen, aldus de verwachting (want zo was het toch altijd gelukt) de Atjehers zich snel onder het welwillende gezag van de Nederlanders scharen.....

    De hoofdreden was natuurlijk een besparing van kosten en troepen, want reeds in 1880 was Generaal Eenoog, dankzij zijn kostbare successen, dringend doch vriendelijk verzocht om zijn ontslag in te dienen. Generaal Eenoog maakte echter geen haast....Via een stille wenk werd hij geadviseerd om op ziekteverlof naar Europa te gaan, want er kwam een gerechtelijk onderzoek naar de wandaden van een van zijn naaste medewerkers kapitein Kaufmann. Er was immers al een rapport over het afranselen van dwangarbeiders ?
    Generaal Eenoog wist ervan, maar verweerde hij zich "door Kaufmann waren toch ook de kosten van voeding en legering gedaald?" Maar de Generaal voelde toch wel nattigheid en nam rechtstreeks kontakt op met de GG. Volgens de GG berustte alles op een misverstand. Maar nu ik u toch spreek, namens koning Willem III wil ik u van harte feliciteren met uw benoeming tot commandant-direkteur van het Koninklijk Militair Invalidenhuis Bronbeek in Arnhem.
    Tot zijn dood in 1900 was de Generaal dus de commandant van veel Atjeh veteranen....

    Op 13 oktober 1880 werd zelfs door Batavia meegedeeld dat de Atjeh oorlog officieel was afgelopen. De laatste "resten verzet" werden niet meer belangrijk geacht, want die zouden zich vanzelf overgeven. Van een militair bestuur werd overgegaan op een civiel bestuur. Enigzins voorbarig werd zelfs al een monument opgericht ter herdenking van de Atjeh oorlog. (zie de onderstaande thumbnail foto) De "Nisero" affaire gooide echter roet in het eten...

    En zo besloot de Minister van Oorlog Weitzel tot het aanleggen van de geconcentreerde linie, want in Nederland was men ook volop bezig met het aanleggen van diverse fortenstelsels.

    postenstelsel

    Op 20 augustus 1884 werd officieel een begin gemaakt met de aanleg van de geconcentreerde linie. De door Generaal Eenoog gevestigde buitenposten werden verlaten (en meteen door de Atjehers vernietigd) en men trok zich terug binnen de linie met een gebied van iets meer dan 50 vierkante km om daar de overgave van de Atjehers af te wachten.
    In de linie werden 16 versterkte posten opgenomen ("bentengs") die onderling werden verbonden door een tramlijn en telefoonverbindingen : uniek voor Nederlands-Indië!

    Het uiteindelijke effekt was echter anders dan de Nederlanders dachten : het terugtrekken en vooral het verlaten van de buitenposten en het ontslag van de krachtdadige Generaal Eenoog was voor de Atjehers juist een teken van hun aanstaande overwinning ! Een fatale misrekening....


    De Atjehers gingen over tot een nagenoeg 'permanente' belegering van de de geconcentreerde linie. Regelmatig werd binnen de linie een overval gepleegd, zo bijvoorbeeld die door Chik Di Tiro. In 1887 lukte het Chik Di Tiro om met 400 volgelingen binnen de geconcentreerde linie te komen. Met grote moeite konden ze worden verdreven. De Nederlanders waren totaal verrast, want die dachten dat Chik Di Tiro en zijn volgelingen alleen maar kwamen om te bidden in de hernieuwde moskee ("missigit"), wat ze ook hadden gedaan, waarna ze echter wel de Nederlanders aanvielen.

    Via de bekende verdeel- en heerspolitiek werden inderdaad een aantal oeléëbalangs uit de direkte omgeving 'onderhoorig' aan de Kompenie Belanda. Zo waren de Nederlanders zeer verrast dat een invloedrijke oeléëbalang als Teuku Umar, een jaar voor de Nisero affaire in 1883, zijn diensten aan de Kompenie Belanda aanbood. Beledigd door het gebrek aan respekt door Nederlandse officieren tijdens de Nisero affiare, vermoordde Teuku Umar enige gouvernements matrozen en was dus niet meer zo'n ideale partner voor de Nederlanders. Rond 1890 stierven er echter plotseling twee belangrijke Atjehse leiders (panglima Polim en Chik Di Tiro : voor meer details zie oeléëbalangs en oelama's )

    Tijdens deze periode dook Teuku Umar weer op. Het plan werd opgevat om de oorlog weer op te voeren, maar nu met hulp van Atjehse troepen, zodat de Nederlanders veilig binnen de geconcentreerde linie konden blijven. En dus werden aan Teuku Umar wapens gegevens en inderdaad Teuku Umar's pacifikatie akties leken succes te hebben.... Meerdere oeléëbalangs sloten zich aan bij Teuku Umar, die zelfs van de Nederlanders de titel kreeg : panglima prang besar (opperste krijgsheer van het gouvernement). Zelf noemde hij zich Teuku Djohan Pahlawan (Johan de Heldhaftige). Meerdere succesvolle akties van Teuku Umar volgden. Op 1 januari 1894 kreeg Teuku Umar zelfs toestemming om een eigen leger op te richten geheel uitgerust en getraind door de Nederlanders EN TOEN GING HET DUS FOUT. In plaats van verder pacificeren voor het Gouvernement keerde Teuku Umar zich nu, uitstekend uitgerust, tegen de Nederlanders. Alle Atjehse hoofden kozen tegelijkerheid voor de partij van Teuku Umar en de klok werd weer jaren teruggezet. Gelukkig voor de Nederlanders durfde Teuku Umar de geconcentreerde linie niet aan te vallen....

    Vanuit de linie werden achtereenvolgens de volgende telegrammen naar Batavia gestuurd : "er lopen geruchten"..........."gevreesd wordt dat".........."geruchten helaas juist gebleken"

    Het spreekt vanzelf dat de gouverneur van Atjeh die Teuku Umar tegen allerlei waarschuwingen in, had gesteund, eervol (!) werd ontslagen.

    Jaren van hoop op beeindiging van de peperdure oorlog, maar ook jaren van opsluiting van 5000 man die alleen maar wachtliepen en zich niet buiten de linie durfden te begeven, jaren van onverhoedse overvallen, alles was voor niets geweest. Alles had over zee aangevoerd moeten worden, velen waren gestorven door allerlei ziekten, w.o. de gevreesde beri-beri, (veroorzaakt door het eten van gepelde rijst) velen waren gedeserteerd en overgelopen naar de andere kant en namen soms kanonnen mee die zeer vakkundig op de Nederlanders werden gericht, en dus werd het steeds moeilijker om in Harderwijk (het koloniale depot waar je je kon aanmelden voor dienst in de Koloniën) nieuwe mannen te ronselen, ondanks hogere beloningen.

    Het Nederlandse Atjeh beleid was failliet en dus uitzichtsloos.


    In 1893 verscheen de brochure "De onderwerping van Atjeh" geschreven door een zekere officier J.B. van Heutsz met als motto :

    De Atjeh oorlog knaagt aan ons koloniaal bezit, hij moet eindigen. Laten wij eindelijk aan de beschaafde wereld tonen dat we daartoe in staat zijn !

    Een jaar tevoren (1892) was in de geconcentreerde linie de Nederlandse geleerde Snouck Hurgronje gearriveerd en die gaf de aanzet tot de oplossing van het dilemma....



    Op mijn Photos site kun je o.m. de volgende foto's vinden uit deze periode : (voor het overzicht van alle foto's, klik op deze : link)

  • A damaged tramcar track after an attack


  • Tramcar hearse in use during the concentrated line period (amazing picture !!)




  • Via de onderstaande thumbnail foto's kun je het volgende bekijken :

  • Het gebied van de geconcentreerde linie : 'De Stelling' (sorry voor de kwaliteit)


  • Atjeh per fietstrein


  • Het voorbarige Atjeh monument in Batavia


  • BACK





    Stelling_1884.jpg

     

    Atjeh_per_fietstrein.jpg

     

    Atjeh_monument_Batavia.jpg

     






      Op de Volksuniversiteit Geldrop start op woensdagavond 6 oktober 2010 een cursus van 10 avonden over de geschiedenis van de Nederlandse KoloniŽn. Ook wordt dan natuurlijk de geschiedenis van Atjeh besproken!

      Docent: Aad 'arcengel' Engelfriet, cultureel-historisch reisleider, stadsgids en geschiedenis docent. Webmaster van deze grootste Nederlandstalige geschiedenis website, een erkend specialist op het gebied van de Nederlandse koloniale geschiedenis.

      Voor meer info:

      klik dan HIER




      Geinteresseerd in een historische rondleiding voor uw eigen groep(je) door Aad 'arcengel' Engelfriet, webmaster van deze grootste Nederlandstalige geschiedenis website, door o.m. een stad of streek in bijv. Nederland, BelgiŽ, Duitsland, Groot-BrittanniŽ, Ierland en/of een historische lezing, publicatie, recensie:

      Voor meer vrijblijvende informatie

      aad@engelfriet.net

      Wilt U eerst meer weten over Aad Engelfriet:

      klik dan HIER







    Back to the Dutch East Indies / Nederlands-Indië INDEX




    Continue with Atjeh 1


    Continue with Atjeh 3


    Continue with Atjeh 4




    Geinteresseerd in mijn andere verhalen over Nederlands- Indië ?
    Er komen er nog meer......


    Pramoedya_Ananta_Toer

    Introduktie geschiedenis Nederlands-Indië



    GG_sJacob

    Governors-General of the Dutch East Indies



    coen

    Jan Pieterszn Coen en de uitroeiing van de bevolking op de Banda eilanden



    raadhuis Batavia 1750

    De moord op ruim 5000 Chinezen in 1740



    Ambon_1817

    Wie was Pattimura ?



    Diponegoro

    Wie was Diponegoro ?



    Radja_van_Lombok

    Het "verraad" van het huidige vakantie eiland Lombok en de "Schatten van Lombok"



    Balinees monument ter herinnering aan de strijd tegen de Nederlanders

    De pacificering van het huidige vakantie eiland Bali



    Wilhelmus van Nassaue,
    Ziet gij dien heldenstoet?
    Zij schoten op de vrouwen
    En drenkten 't land met bloed.
    De kwasten der banieren
    zijn darmen van een kind.
    Licht dat ge aan hun rapieren,
    nog vrouwenharen vindt.

    De Atjehse agressie oorlog.

    De grootste aanvalsoorlog ooit door Nederland gevoerd met als resultaat 100.000 doden en 1.000.000 gewonden



    Bali in the 19th century

    Book covers and references



    Batavia harbour 1870 de kleine boom

    Photos and images of the Dutch East Indies









    ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ ARCENGEL Nederlands-IndiŽ

                ......een roofstaat aan de Noordzee......
                .....dat spoorwegen bouwt van gestolen geld en tot
                betaling de bestolene bedwelmt met
                opium, Evangelie en jenever...

                 Aan U durf ik met vertrouwen te vragen of het
                Uw wil is dat daarginds Uw meer dan dertig
                millioenen onderdanen worden mishandeld en
                uitgezogen in UWEN naam?


                Multatuli [1860] ...aan Nederland...Koning Willem III



    Assistent_resident_Eduard_Douwes_Dekker_van_Lebak_Residentie_Bantam



    ....dat dorp stond in brand, omdat het veroverd was door Nederlandsche soldaten.......


    Ja, 't dorp was veroverd door Nederlandsche soldaten, en stond dus in brand.

    Op Nederlandsche heldendaad volgt brand.
    Nederlandsche overwinning leidt tot verwoesting.
    Nederlandsche krygsbedryven baren wanhoop.





    Reakties  welkom

    mijn Nederlands-IndiŽ links

    top


    Back to the Dutch East Indies / Nederlands-Indië INDEX





    Last update :

    6 April 2010